Het EHRM heeft in de zaak E.G.E. t. Nederland een schending van artikel 3 EVRM (verbod van foltering) vastgesteld.
De zaak betreft een politieoptreden waarbij een agent disproportioneel geweld heeft gebruikt tegen de partner van verzoekster. Dit geweld omvatte onder meer een vuistslag tegen het achterhoofd, alsmede andere vormen van geweld. De partner van verzoekster overleed kort daarna op het politiebureau, vermoedelijk als gevolg van een hoge cocaïneconcentratie in zijn lichaam. Een verband tussen het gebruikte geweld en zijn overlijden werd niet vastgesteld. Nadat de agent niet werd vervolgd, klaagde verzoekster hierover bij het gerechtshof, dat oordeelde dat de vuistslag weliswaar achterwege had moeten blijven, maar geen vervolging rechtvaardigde. Het EHRM stelt vast dat verzoekster als slachtoffer kan worden aangemerkt en oordeelt dat de regering niet overtuigend heeft aangetoond dat de vuistslag strikt noodzakelijk en proportioneel was, mede omdat de partner van verzoekster geen wapen bij zich had en al onder controle van vier agenten was. Het EHRM heeft geoordeeld dat er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM.
Het Permanent Hof van Arbitrage (PHA) is het eerste permanente internationale mechanisme voor de vreedzame beslechting van geschillen tussen staten. Het is opgericht onder twee in Den Haag tot ...
Deze Kamerbrief bevat antwoorden op het verzoek van de commissie voor Buitenlandse Zaken d.d. 6 februari 2023 en op de motie van het Lid Omtzigt c.s. d.d. 9 februari jl naar de inspanningen in het kader van accountability voor het Russische handelen in Oekraïne, zoals de mogelijke oprichting van een speciaal tribunaal voor de vervolging en berechting van het misdrijf agressie.
Dit document bevat de hoofdlijnen voor een werving- en selectieprocedure van door Nederland voor te dragen kandidaten voor internationale posities door de Nederlandse Nationale Groep van het Permanent Hof van Arbitrage.
Dit document betreft de pleitnota van de Nederlandse Staat in hoger beroep aangaande de rechtszaak van Urgenda tegen de Nederlandse Staat. Urgenda eist dat er in 2020 40% minder CO2 uitstoot is dan in 1990.
In dit arrest van de Hoge Raad wordt, in para. 3.6.2, bevestigd dat de Nederlandse rechter is gehouden – en niet slechts bevoegd - ambtshalve te onderzoeken of aan een vreemde staat of internationale organisatie immuniteit van jurisdictie toekomt.
Rechtspraak - arrest Hoge Raad Republiek Irak
De Hoge Raad oordeelt dat nu noch uit de tekst, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Vrouwenverdrag valt af te leiden dat de verdragsluitende Staten zijn overeengekomen dat aan art. 11 lid 2, onder b, geen rechtstreekse werking mag worden toegekend, voor het antwoord op de vraag of die verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft, de inhoud van de bepaling beslissend is: verplicht deze de Nederlandse wetgever tot het treffen van een nationale regeling met bepaalde inhoud of strekking, of is deze van dien aard dat de bepaling in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht kan functioneren (HR 30 mei 1986, LJN AC9402, NJ 1986/688). Van belang is of een bepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om door de rechter te worden toegepast. Zie essentie r.o. 3.3.3.
Arrest Hoge Raad
Toont 221 - 230 van 638 resultaten.