Dit document bevat de Nederlands-Zwitserse visie ten aanzien van de ontwikkeling en het gebruik van nieuwe middelen of methoden van oorlogsvoering.
De Afdeling advisering concludeert dat het initiatiefwetsvoorstel in strijd is met de twee belangrijkste verdragen die zien op cannabis, namelijk het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen uit 1961 (EV) en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen uit 1988 (SV). De argumenten in de toelichting waarom het initiatiefwetsvoorstel in het licht van deze verdragen toelaatbaar zou zijn, zijn volgens de Afdeling ontoereikend. Ook het beroep op het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt heeft bij het SV is in dit geval niet toereikend.
In deze motie wordt de regering opgeroepen om te onderzoeken of het mogelijk is om een zaak aan te spannen tegen Myanmar bij het Internationaal Gerechtshof. In de motie wordt verwezen naar de ernstige vermoedens van genocide tegen de Rohingyabevolking.
Motie (Tweede-Kamer 2018-2019, 32735, 258)
Dit document bevat een Note Verbale van het Koninkrijk der Nederlanden aan de Commissie inzake de Grenzen van het Continentaal Plat (CLCS) over de submissie van Australië inzake Antarctica. In de Note Verbale geeft het Koninkrijk aan dat het territoriale claims op Antarctica niet erkend en dat Australië daarom ook geen soevereine rechten op het continentaal plat toekomt.
In deze brief gaan de Minister van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in op de initiatiefnota van het kamerlid van Raan over Ecocide – de ontbrekende misdaad tegen de vrede. In deze brief stellen de Ministers dat het kabinet geen voorstander is van internationale strafbaarstelling van ecocide door het op te nemen in het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat wanneer partijen een beroep doen op een bepaling van volkenrechtelijke aard de rechter tot taak heeft om een oordeel te geven over de vraag of een correcte uitvoering en toepassing van volkenrechtelijke regels in de nationale rechtsorde heeft plaatsgevonden. De bevoegdheid van de rechter om volkenrecht toe te passen berust onder meer op de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
De rechter is bevoegd het volkenrecht toe te passen in de nationale rechtsorde, voorzover zich dat voor toepassing door hem leent, ook in gevallen waarin er geen strijd is met nationale wettelijke voorschriften.
Aangezien de tekst, noch de geschiedenis van de totstandkoming van de Overeenkomst aanwijzingen bevatten dat de overeenkomstsluitende partijen al dan niet rechtstreekse werking aan de bepalingen van de Overeenkomst hebben willen verlenen, is voor de beantwoording van de vraag of aan die bepalingen een zodanige werking toekomt de inhoud van die bepalingen beslissend. De bepalingen van de Overeenkomst dienen zodanig concreet en hanteerbaar te zijn dat zij door de rechter kunnen worden toegepast. In dat verband kunnen de bewoordingen, context, doel en strekking van de bepalingen en de samenhang met andere bepalingen uit de Overeenkomst worden bezien. Dat, zoals verweerder betoogt, de Overeenkomst alleen verplichtingen zou opleggen aan staten betekent niet zonder meer dat deze niet als een ieder verbindend kan worden aangemerkt. Voorzover verweerder wijst op het standpunt van de regering dat de bepalingen als richtlijnen dienen te worden beschouwd, merkt de Afdeling op dat beantwoording van de vraag of een verdrag een ieder verbindende bepalingen bevat uiteindelijk is voorbehouden aan de rechter. Zie essentie r.o. 2.2.3 – 2.2.6.
UItspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State
Dit is de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter goedkeuring van het op 16 december 2025 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een schadevergoedingscommissie voor Oekraïne. Deze schadevergoedingscommissie zal vorderingen behandelen en compensatie vaststellen voor de geleden schade als gevolg van Russische agressie in Oekraïne.
Deze brief van de Minister van Buitenlandse Zaken volgt op een toezegging aan de Tweede Kamer om een nadere juridische analyse te geven over de toepasselijkheid van het Genocideverdrag in relatie tot de situatie van de Oeigoeren in China.
Antwoorden van de Ministers van Buitenlandse Zaken en Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Defensie, op vragen van leden Van der Werf, Paternotte en Boswijk over de Kamerbrief stand van zaken aanpak schaduwvloot.
In deze brief gaat de Minister van Buitenlandse Zaken in op de inzet van de Nederlandse regering ten aanzien van de bescherming van mensenrechten en gemeenschappen, het tegengaan van straffeloosheid en de opbouw van juridische en maatschappelijke capaciteit in Syrië. Daarbij gaat de Minister ook in op hoe de regering uitvoering geeft aan de moties Dobbe c.s., Van Baarle en Piri.
Toont 221 - 230 van 623 resultaten.