Dit document bevat de initiële rapportage van Nederland onder het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD). De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse implementatie van verplichtingen onder het verdrag.
Dit document bevat de vijfde periodieke rapportage van Nederland onder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR / BUPO). De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse implementatie van verplichtingen onder het verdrag.
Dit document bevat de 22ste t/m de 24ste rapportage van Nederland onder het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie (CERD). De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse implementatie van verplichtingen onder het verdrag.
Dit document bevat de circulaire die de gedragslijn voorschrijft voor het geval waarin rijksambtenaren voor dienstreizen gebruik kunnen of moeten maken van luchtvaartmaatschappijen die door de EU als onveilig zijn gekwalificeerd en niet binnen de EU mogen vliegen (en op de ‘Zwarte Lijst’ zijn geplaatst).
De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse betrokkenheid in internationale mensenrechtenprocedures in 2017 alsmede activiteiten in het verlengde daarvan, inclusief verdragsrapportages onder VN-mensenrechtenverdragen.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in een uitspraak van de Grote Kamer in de zaak Keskin tegen Nederland (zaak nr. 2205/01) geoordeeld dat Nederland het recht op een eerlijk proces neergelegd in artikel 6, eerste lid en derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. De schending is aangenomen, omdat de verdachte niet in staat was om getuigen te ondervragen die belastende verklaringen over hem hadden afgelegd in een strafrechtelijke procedure.
Zie uitspraak Keskin v. the Netherlands, EHRM
Dit document bevat een evaluatie van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB), getiteld Relaties, resultaten en rendement: Evaluatie van de Benelux Unie-samenwerking vanuit Nederlands perspectief, waarin wordt bekeken welke concrete resultaten de Benelux-samenwerking oplevert.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak W.P.W. tegen Nederland (zaak nr. 57294/16) besloten de zaak niet ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 35, derde lid, onder a, en vierde lid, van het EVRM.
De zaak betreft het recht op het privéleven (artikel 8 EVRM), de vrijheid van beweging (artikel 2 Protocol Nr. 4 EVRM), het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) en het recht op daadwerkelijk rechtsmiddel (artikel 13 EVRM). Het EHRM overweegt dat voor de inbreuk op de rechten onder artikel 8 EVRM sprake is van een legitiem doel, omdat vingerafdrukken worden afgenomen en bewaard om identiteitsfraude en vervalsing van paspoorten tegen te gaan. Over de noodzakelijkheid concludeert het EHRM dat het vermoeden van gelijkwaardige bescherming van mensenrechten door de EU van toepassing is en de bescherming van EVRM-rechten in de huidige casus niet duidelijk tekort is geschoten. Derhalve heeft het EHRM de zaak niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 35, derde lid, onder a, en vierde lid, van het EVRM.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak I.B. tegen Nederland (zaak nr. 35751/20) geoordeeld dat Nederland het recht om tijdens een zitting gehoord te worden in een procedure omtrent de rechtmatigheid van detentie onder artikel 5, vierde lid, van het Verdrag (EVRM) niet heeft geschonden. De zaak betreft het recht op een eerlijk proces en in het bijzonder het recht om in persoon of via een videoverbinding tijdens een zitting gehoord te worden.
De zitting in de procedure van verzoeker vond plaats in de eerste weken van de COVID-19-pandemie. Op dat moment beschikte het detentiecentrum nog niet over voldoende technische en praktische voorzieningen om alle partijen via een videoverbinding te horen. Daardoor kon verzoeker niet in persoon of via videoverbinding tijdens de zitting worden gehoord. Gezien de onvoorziene praktische problemen waarmee de rechtbanken te maken kregen in de eerste weken van de COVID-19 pandemie en de omstandigheid dat zijn advocaat wel telefonisch bij de zitting was, oordeelt het EHRM dat er geen schending heeft plaatsgevonden van artikel 5 lid 4 EVRM.
De minister van Buitenlandse Zaken informeert de Tweede Kamer over de intentie van Nederland en Canada om te interveniëren in de zaak van Gambia tegen Myanmar onder artikel 63 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof. Een dergelijke inspanning is in lijn met de Nederlandse inzet op het tegengaan van straffeloosheid middels vervolging en berechting van de meest ernstige misdrijven en uiteindelijk op gerechtigheid en genoegdoening voor slachtoffers.
Kamerbrief (Tweede-Kamer, 32735, nr. 310)
Toont 321 - 330 van 637 resultaten.