IGOs en hun medewerkers krijgen privileges en immuniteiten om hun onafhankelijkheid te waarborgen, geregeld via zetelverdragen en internationale verdragen.
Deze pagina beschrijft internationale rechtshulp. Het gaat in op de verschillende soorten van rechtshulp en hoe rechtshulp in zijn werking treedt.
Deze pagina beschrijft wanneer een entiteit op grond van het internationaal recht als staat kan worden erkend en aan welke criteria daarvoor moet worden voldaan.
Deze pagina beschrijft het principe van het hebben van grondgebied. Het gaat in op de interne en externe componenten omtrent grondgebied, zowel op het land als ter zee.
Deze pagina gaat over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het beschijft hoe dit internationaal wordt gereguleerd en hoe dit erop is gericht bedrijven een eigen maatschappelijke ...
Deze pagina gaat over de bescherming van het cultureel erfgoed. Het gaat in op de verschillende verdragen waar Nederland partij bij is die verschillende aspecten met betrekking tot het ...
Deze pagina gaat over de doorwerking van internationaal recht in de national rechtsorde. Het gaat in op de verschillende stelsels die van toepassing kunnen zijn, waaronder het monistische en ...
Dit document bevat de vijfde periodieke rapportage van Nederland onder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR / BUPO). De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse implementatie van verplichtingen onder het verdrag.
Het VN BuPo Comité heeft in de zaak S.Y. (zaak nr. 2392/2014) gesteld dat het recht op hoger beroep onder artikel 14, lid 5 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), alleen en gelezen in samenhang met het recht op een effectief rechtsmiddel onder artikel 2, lid 5 van het IVBPR zijn geschonden.
De zaak betreft een veroordeling voor mishandeling, waar tegen in hoger beroep werd gegaan door verzoekster. Dit werd afgewezen op grond van artikel 410a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, waarin wordt bepaald dat hoger beroep tegen zaken waar het gaat om een geldboete lager dan 500 euro slechts in behandeling wordt genomen als dat nodig is in het belang van een goede rechtsbedeling (‘Verlofstelsel’). Verzoekster klaagt bij het Comité dat zij geen reële mogelijkheid heeft gekregen haar zaak door een tweede rechterlijke instantie inhoudelijk te laten beoordelen en stelt dat dit in strijd is met het recht op hoger beroep zoals vastgelegd in artikel 14 lid 5 van het IVBPR. Hierbij wijst verzoekster op het feit dat zij op het moment van instellen van hoger beroep niet beschikte over een schriftelijke uitspraak van de rechtbank en niet wist op basis van welk bewijs zij was veroordeeld. Het Comité stelt vast dat veroordeelden moeten kunnen beschikken over een schriftelijke, gemotiveerde beslissing van hun veroordeling en over voldoende informatie om hun recht op hoger beroep effectief te kunnen uitoefenen. Het Comité oordeelt dat hiervan geen sprake is geweest in het geval van verzoekster. Verder oordeelt het Comité dat onterecht is besloten het hoger beroep niet in behandeling te nemen. Om deze redenen is sprake van een schending van artikel 14 lid 5 IVBPR (recht op hoger beroep in strafzaken) alleen, en in samenhang gelezen met artikel 2 lid 3 van het IVBPR (recht op een effectief rechtsmiddel).
Dit document bevat antwoorden op vragen van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid over de Kamerbrief van 9 maart 2018 over de juridische mogelijkheden om Staten aansprakelijk te stellen voor het neerhalen van vlucht MH17.
Vragen en antwoorden (Tweede Kamer, 2017-2018, 33997, nr. 118)
Kamerbrief 9 maart 2018 (Tweede Kamer, 2017-2018, 33997, nr. 114)
Toont 121 - 130 van 296 resultaten.