Zoeken

Web content search

61 Zoekresultaten

Sorteren op: Datum /

EHRM Dijkhuizen v. Nederland - geen schending recht op een eerlijk proces

Uitspraak internationaal | 8 juni 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Dijkhuizen tegen Nederland (zaak nr. 61591/16) geoordeeld dat Nederland artikel 6, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet heeft geschonden. Artikel 6 bevat het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht om in persoon bij de rechtszitting aanwezig te zijn. Volgens het EHRM heeft verzoeker meerdere malen expliciet en bij monde van zijn advocaat geweigerd om via een videoverbinding deel te nemen aan de rechtszaak. Daarom hoefde het Gerechtshof niet in te gaan op het verzoek om alsnog via een videoverbinding deel te mogen nemen dat werd gedaan op de laatste dag van de openbare behandeling.   Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat het doel en de opzet van artikel 6 in zijn geheel genomen is, dat een persoon aan wie een strafbaar feit ten laste wordt gelegd, recht heeft om deel te nemen aan de zitting. Het is voor een eerlijk proces van groot belang dat de beschuldigde ter zitting aanwezig kan zijn. Daarbij is het cruciale belang van een zitting naar aanleiding van een ingediend beroep minder groot dan de oorspronkelijke inhoudelijke zitting in de strafprocedure. In dat kader moet in ieder geval de specifieke aspecten van de procedure worden bezien en de wijze waarop de belangen van de verzoeker daarbij zijn beschermd, aldus het EHRM.   Kijkend naar de omstandigheden van dit geval staat voor het EHRM vast dat het voor verzoeker onmogelijk was om naar Nederland terug te keren voor het bijwonen van de rechtszitting in beroep, omdat hij in Peru gedetineerd was in verband met een strafrechtelijke verdenking. Hoewel er geen officieel uitleveringsverzoek is gedaan, is de door de regering verkregen informatie over de onmogelijkheid om verzoeker uitgeleverd te krijgen met het oog op de zitting voldoende betrouwbaar en verzoeker heeft deze informatie ook niet betwist. De regering heeft voldoende gedaan om de mogelijkheden voor internationale juridische samenwerking te onderzoeken. Mede gezien de omstandigheid dat deze procedure deel uitmaakte van een omvangrijke en complexe strafzaak waarbij zeven verdachten waren betrokken die op dat moment elk in een ander land verbleven, mocht het gerechtshof een videoverbinding voor verzoeker in de plaats stellen van fysieke aanwezigheid bij de rechtszitting. Daarbij komt dat de herhaalde weigering van verzoeker om mee te werken aan een videoverbinding, die een periode van elf maanden werd volgehouden, kan niet anders worden gezien dan als een verklaring dat hij afziet van zijn recht om aanwezig te zijn bij de rechtszitting in zijn eigen zaak. Het gerechtshof mocht daarom afzien van inwilliging van het verzoek van de advocaat dat werd gedaan in zijn slotpleidooi, om de procedure toch te verlengen met het oog op een videoverbinding met verzoeker. Met deze gang van zaken is er geen sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM, aldus het EHRM.

Uitspraak EHRM - Centrum för rättvisa tegen Zweden - schending eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie

Uitspraak internationaal | 25 mei 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerbiediging van privé leven, familie- en gezinsleven (zie Privacy) | Privacy | Proportionaliteitsbeginsel

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Centrum för rättvisa tegen Zweden (zaak nr. 35252/08) geoordeeld dat Zweden artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 8 bevat het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie. De schending is aangenomen omdat het Zweedse regime voor bulk-interceptie van gegevens niet is onderworpen aan voldoende waarborgen. Nederland heeft als derde-partij een reactie ingediend over een aantal punten die in algemene zin spelen bij bulk-interceptie van gegevens en dus zaakoverstijgend zijn. Het EHRM overweegt dat de beslissing voor een regime voor bulk-interceptie op zich niet in strijd is met artikel 8 EVRM. In het licht van het veranderende karakter van moderne communicatietechnologie, moet de gebruikelijke wijze van toetsing voor surveillancesystemen worden aangepast aan de specifieke eigenschappen van een bulk-interceptiesysteem, waarbij het inherente risico bestaat op misbruik en tegelijkertijd een legitieme behoefte bestaat voor geheimhouding.  Voor een dergelijk systeem zijn ‘end to end’-waarborgen noodzakelijk. Dit betekent dat op nationaal niveau bij elke stap in het proces een beoordeling moet plaatsvinden van de noodzaak en proportionaliteit van de te nemen maatregelen. Ook moet er voorafgaand onafhankelijk toezicht zijn voor de bulk-interceptie op het moment dat het doel en de omvang ervan bekend worden. Daarnaast moet toezicht worden gehouden op de operatie en moet er na afloop onafhankelijk toezicht zijn, aldus het EHRM. Het EHRM constateert dat de Zweedse autoriteiten veel inspanningen hebben geleverd om ervoor te zorgen dat het Zweedse regime voor bulk-interceptie zou voldoen aan de eisen van het EVRM. Desondanks stelt het EHRM vast dat aan het regime drie gebreken kleven, namelijk: - het ontbreken van een duidelijke regel over het vernietigen van het opgevangen materiaal dat geen persoonsgegevens bevatte; - het ontbreken van een vereiste in relevante wetgeving dat bij een besluit omtrent het delen van materiaal met buitenlandse partners de privacybelangen van individuen moeten worden afgewogen, en; - het ontbreken van een effectieve toetsing na afloop. Gelet hierop gaat het Zweedse regime voor bulk-interceptie de ‘margin of appreciation’ die nationale autoriteiten hebben in dit soort situaties te buiten en was er onvoldoende waarborg tegen willekeur en misbruik. Daarom is er een schending van artikel 8 van het EVRM geconstateerd. Zie Centrum för rättvisa tegen Zweden, EHRM

Uitspraak EHRM - Big brother watch and others tegen Verenigd Koninkrijk - schending eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie en vrijheid van meningsuiting

Uitspraak internationaal | 25 mei 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerbiediging van privé leven, familie- en gezinsleven (zie Privacy) | Privacy | Vrijheid van meningsuiting

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak Big Brother Watch en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk (zaken nrs. 58170/13, 62322/14 en 24960/15) geoordeeld dat artikel 8 en artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn geschonden. Artikel 8 bevat het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie. Artikel 10 ziet op de vrijheid van meningsuiting. De schendingen zijn aangenomen omdat het Britse regime voor bulk-interceptie van gegevens niet is onderworpen aan voldoende waarborgen en onvoldoende bescherming biedt aan vertrouwelijk journalistiek materiaal. Nederland heeft als derde-partij een reactie ingediend over een aantal punten die in algemene zin spelen bij bulk-interceptie van gegevens en dus zaakoverstijgend zijn. Het EHRM overweegt dat de beslissing voor een regime voor bulk-interceptie op zich niet in strijd is met artikel 8 EVRM. In het licht van het veranderende karakter van moderne communicatietechnologie, moet de gebruikelijke wijze van toetsing voor surveillancesystemen worden aangepast aan de specifieke eigenschappen van een bulk-interceptiesysteem, waarbij het inherente risico bestaat op misbruik en tegelijkertijd een legitieme behoefte bestaat voor geheimhouding.  Voor een dergelijk systeem zijn ‘end to end’-waarborgen noodzakelijk. Dit betekent dat op nationaal niveau bij elke stap in het proces een beoordeling moet plaatsvinden van de noodzaak en proportionaliteit van de te nemen maatregelen. Ook moet er voorafgaand onafhankelijk toezicht zijn voor de bulk-interceptie op het moment dat het doel en de omvang ervan bekend worden. Daarnaast moet toezicht worden gehouden op de operatie en moet er na afloop onafhankelijk toezicht zijn, aldus het EHRM. Het EHRM constateert bij toepassing van de nieuwe uitgebreide criteria dat aan het Britse regime voor bulk-interceptie zoals dat gold tussen 2000 en 2016 drie gebreken kleven, namelijk: - het ontbreken van een onafhankelijke autorisatie van een bevel tot bulk-interceptie; - het niet noemen van categorieën van selectiecriteria in de aanvraag voor een bevel, en; - het niet verzekeren dat aan een individu gekoppelde zoektermen aan voorafgaande interne autorisatie onderworpen zijn. Daarbij erkent het EHRM het waardevolle toezicht en de robuuste juridische toetsing door de specifiek hiervoor aangewezen ‘Interception of communications Commissioner’ en het ‘Investigatory Powers Tribunal’. Deze waarborgen wegen echter niet op tegen de geconstateerde tekortkomingen. Gelet hierop gaat de inbreuk (‘ interference’ ) die het Britse regime voor bulk-interceptie maakt op het privéleven van burgers verder dan ‘necessary in a democratic society’. Daarom is er een schending van artikel 8 van het EVRM geconstateerd. Over artikel 10 EVRM herhaalt het EHRM dat de bescherming van bronnen van een journalist een hoeksteen is van de vrijheid van de pers. Het EHRM stelt vast dat het Britse regime geen waarborgen bevat die verzekeren dat gegevens die niet speciaal met dat oogmerk zijn verzameld, maar die toch vertrouwelijk journalistiek materiaal bevatten, pas opgeslagen kunnen blijven en onderzocht kunnen worden door een analist na autorisatie daarvoor door een rechter of een ander onafhankelijk beslisorgaan. Daarom is er ook een schending van artikel 10 van het EVRM geconstateerd  

Beslissing EHRM - M.T. tegen Nederland - geen schending verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling

Uitspraak internationaal | 18 mei 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Foltering, verbod | Onmenselijke en vernederende behandeling, verbod (zie Foltering, verbod)

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de beslissing in de zaak M.T. tegen Nederland (zaak nr. 46595/19) geoordeeld dat Nederland artikel 3, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet heeft geschonden. Artikel 3 bevat het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Verzoekster en haar minderjarige dochters zijn afkomstig uit Eritrea en zijn in maart 2018 in Nederland aangekomen. Uit de database van de Europese Unie bleek dat zij in januari 2018 al in Italië asiel hadden aangevraagd. Daarom heeft de regering verzocht om verzoekster en haar kinderen weer te mogen overdragen aan Italië. Dat verzoek werd door de Italiaanse overheid goedgekeurd. Volgens het EHRM heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat, als zij met haar kinderen wordt overgebracht naar Italië, voor haar een situatie in het vooruitzicht ligt die een dusdanig daadwerkelijk en onontkoombaar risico op hardheid omvat, dat die situatie ernstig genoeg is om onder artikel 3 EVRM te vallen. Het EHRM herhaalt in de beslissing dat een slechte behandeling een bepaalde mate van ernst moet hebben om binnen het bereik van artikel 3 EVRM te vallen. Deze noodzakelijke mate van ernst is relatief en afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Verder wijst het EHRM erop dat in eerdere zaken vanaf 2008 is geoordeeld dat een specifieke bevestiging van de Italiaanse autoriteiten nodig was om ervan uit te kunnen gaan dat kwetsbare asielzoekers, zoals kinderen, in gepaste opvangfaciliteiten terecht zouden komen en dat het gezin bij elkaar zou worden gehouden. In een aantal gevallen vanaf 2015 is geoordeeld dat algemene toezeggingen van de Italiaanse overheid in circulaires daarover voldoende waren. Omdat verzoekster en haar kinderen zich ten tijde van de beslissing nog in Nederland bevonden, heeft het EHRM alle beschikbare informatie meegenomen, ook als die van later datum was dan de Nederlandse besluitvorming. In dat kader wordt opgemerkt dat in oktober 2020 wijzigingen hebben plaatsgevonden in het Italiaanse opvangsysteem. Daaruit volgt dat verzoekster en haar kinderen in aanmerking komen voor plaatsing in een gepaste opvangvoorziening. Dit wordt bevestigd door de UNHCR. Verder is er geen aanleiding voor de aanname dat de Nederlandse overheid de Italiaanse overheid niet zou inlichten over de verwachte aankomstdatum van verzoekster en haar kinderen, hun gezinssituatie en eventuele medische bijzonderheden. Hierbij merkt het EHRM op dat verzoekster niet heeft gesteld dat de medische zorg die haar jongste dochter nodig heeft, in Italië niet beschikbaar is. Om deze redenen heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat haar situatie na overdracht aan Italië, vanuit materieel, fysiek of psychologisch oogpunt een voldoende daadwerkelijk en onontkoombaar risico op hardheid omvat om binnen de reikwijdte van artikel 3 EVRM te vallen, aldus het EHRM. De klacht over schending van artikel 3 van het EVRM is kennelijk ongegrond en daarom niet-ontvankelijk verklaard. Zie M.T. tegen Nederland, EHRM

Uitspraak EHRM - Stichting Landgoed Steenbergen tegen Nederland - geen schending eerlijk proces

Uitspraak internationaal | 16 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Stichting Landgoed Steenbergen en anderen tegen Nederland (zaak nr. 19732/17) geoordeeld dat Nederland artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet heeft geschonden. Artikel 6 bevat het recht op een eerlijk proces, waaronder de toegang tot de rechter valt. Volgens het EHRM is een elektronische kennisgeving een voldoende adequate manier van kennisgeven van (ontwerp)besluiten, gelet op de coherentie van het systeem waarbij een evenredige afweging is gemaakt en het hoge aantal internetgebruikers in Nederland. Het EHRM herhaalt in het arrest dat het recht op toegang tot de rechter ook het recht omvat om op adequate wijze kennis te nemen van bestuurlijke en juridische besluiten en dat dit met name van belang is in gevallen waarbij een rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn moet worden ingezet. Het recht op toegang tot de rechter is echter geen absoluut recht, het mag worden beperkt en moet ook gereguleerd worden door de nationale overheid. Staten hebben daarbij een beoordelingsmarge. In gevallen als deze wordt beoordeeld of klagers konden uitgaan van een coherent systeem waarbij een evenredige afweging is gemaakt tussen de belangen van de overheid en hun eigen belangen, aldus het EHRM. In deze zaak is de kennisgeving gebaseerd op de Verordening elektronische bekendmaking van de provincie Gelderland. Het systeem van deze Verordening is voldoende coherent en duidelijk. Voor de elektronische bekendmaking bestond derhalve een wettelijke basis waarvan het bestaan voldoende onder de aandacht van het publiek is gebracht. Verder is van belang dat in Nederland meer dan 92% van de burgers boven de twaalf jaar beschikking heeft over internet. Bovendien hebben klagers ook niet aangegeven dat zij niet beschikken over toegang tot een computer of het internet. Gelet hierop komt het EHRM tot de conclusie dat het systeem van elektronische bekendmaking in Gelderland een coherent systeem is waarbij een evenredige afweging is gemaakt tussen het algemeen belang van de samenleving en de belangen van klagers. Daarom is er geen schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en is het niet nodig om de klacht over schending van artikel 13 van het EVRM apart beoordelen. De klacht over schending van artikel 8 van het EVRM is niet-ontvankelijk verklaard. Zie Stichting Landgoed Steenbergen tegen Nederland, EHRM

Uitspraak EHRM Maassen tegen Nederland - schending recht op vrijheid en veiligheid

Uitspraak internationaal | 9 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces | Redelijke termijn | Voorlopige invrijheidstelling

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Maassen tegen Nederland (zaak nr. 10982/15) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 5 bevat het recht op vrijheid en veiligheid. Het derde lid gaat specifiek over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. De schending is aangenomen, omdat herhaaldelijke beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, onvoldoende onderbouwd zijn. Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat een voorarrest niet onredelijk lang mag duren. Een redelijke verdenking is de basis van een voorarrest, maar dat op zich is niet voldoende om beslissingen om het voorarrest te laten voortduren op te baseren. Daarbij is ook nog van belang of er andere gronden zijn om de vrijheidsontneming te rechtvaardigen en als die gronden nog relevant en voldoende zijn, moet worden bezien of de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. In dat kader moet de rechtvaardiging voor detentie altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden, aldus het EHRM. In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over het voorarrest volgens het EHRM voldoende relevant en met redenen omkleed. Bij opvolgende beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, is echter onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden. Gelet hierop zijn die beslissingen onvoldoende onderbouwd en daarom in strijd geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM. Zie Maassen tegen Nederland, EHRM

Arrest EHRM - Zohlandt tegen Nederland - schending recht op vrijheid en veiligheid

Uitspraak internationaal | 9 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Voorwaardelijke invrijheidstelling

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Zohlandt tegen Nederland (zaak nr. 69491/16) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 5 gaat over het recht op vrijheid en veiligheid. Het derde lid gaat specifiek over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. De schending is aangenomen, omdat herhaaldelijke beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, onvoldoende onderbouwd zijn. Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat een voorarrest niet onredelijk lang mag duren. Een redelijke verdenking is de basis van een voorarrest, maar dat op zich is niet voldoende om beslissingen om het voorarrest te laten voortduren op te baseren. Daarbij is ook nog van belang of er andere gronden zijn om de vrijheidsontneming te rechtvaardigen en als die gronden nog relevant en voldoende zijn, moet worden bezien of de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. In dat kader moet de rechtvaardiging voor detentie altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden, aldus het EHRM. In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over het voorarrest volgens het EHRM voldoende relevant en met redenen omkleed. Bij opvolgende beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, is echter onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden. Gelet hierop zijn die beslissingen onvoldoende onderbouwd en daarom in strijd geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM. Zie Zohlandt tegen Nederland, EHRM

Uitspraak EHRM - Hasselbaink tegen Nederland - schending recht op vrijheid en veiligheid

Uitspraak internationaal | 9 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Voorwaardelijke invrijheidstelling

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Hasselbaink tegen Nederland (zaak nr. 73329/16) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid en vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 5 bevat het recht op vrijheid en veiligheid. Het derde lid gaat specifiek over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. Het vierde lid ziet op een tijdige behandeling van verzoeken om opheffing van het voorarrest. De schendingen zijn aangenomen, omdat herhaaldelijke beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, onvoldoende onderbouwd zijn en niet tijdig zijn genomen. Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat een voorarrest niet onredelijk lang mag duren. Een redelijke verdenking is de basis van een voorarrest, maar dat op zich is niet voldoende om beslissingen om het voorarrest te laten voortduren op te baseren. Daarbij is ook nog van belang of er andere gronden zijn om de vrijheidsontneming te rechtvaardigen en als die gronden nog relevant en voldoende zijn, moet worden bezien of de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. In dat kader moet de rechtvaardiging voor detentie altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden, aldus het EHRM. In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over het voorarrest volgens het EHRM voldoende relevant en met redenen omkleed. Bij opvolgende beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, is echter onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden. Gelet hierop zijn die beslissingen onvoldoende onderbouwd en daarom in strijd geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM. Verder duurde het 22 respectievelijk 26 dagen voor dat het verzoek om opheffing en het beroep tegen de afwijzing daarvan werden behandeld. Het EHRM wijst erop dat in een eerdere uitspraak een periode van 21 dagen al als onvoldoende tijdig is beoordeeld en dat bovendien in deze zaak al was erkend dat de behandeling van het verzoek niet zo zorgvuldig was behandeld als normaal gesproken het geval zou zijn. Het EHRM acht het in deze omstandigheden niet nodig om nog apart in te gaan op de tijdige behandeling van het beroep tegen de afwijzing. De gang van zaken is in strijd geacht met artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Zie Hasselbaink tegen Nederland, EHRM

Uitspraak EHRM inzake Keskin tegen Nederland - schending recht op eerlijk proces

Uitspraak internationaal | 19 januari 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in een uitspraak van de Grote Kamer in de zaak Keskin tegen Nederland (zaak nr. 2205/01) geoordeeld dat Nederland het recht op een eerlijk proces neergelegd in artikel 6, eerste lid en derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. De schending is aangenomen, omdat de verdachte niet in staat was om getuigen te ondervragen die belastende verklaringen over hem hadden afgelegd in een strafrechtelijke procedure.  Zie uitspraak Keskin v. the Netherlands, EHRM

Arrest Hoge Raad (Kazachstan en Samruk v. Stati)

Uitspraak nationaal | 18 december 2020

Dossier: Staatsimmuniteit

Trefwoorden: Beslag, conservatoir | Immuniteit van executie | Staatsimmuniteit

In dit arrest van de Hoge Raad wordt, in para. 3.2.4, geoordeeld dat immuniteit van executie van staatseigendom niet is beperkt tot goederen waarvan de onmiddellijke bestemming een publieke is. Op grond van het volkenrecht geldt voor goederen van een vreemde staat een presumptie van immuniteit van executie, die alleen wijkt indien is vastgesteld dat de desbetreffende goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn beoogd voor andere dan publieke doeleinden. Tevens oordeelt de Hoge Raad in para. 3.2.5 dat niet duidelijk is waarom als vaststaand kan worden aangenomen dat de door Samruk gehouden aandelen in KMGK een andere bestemming hebben dan een publieke bestemming. Dat de opbrengsten uit de aandelen in KMGK bestemd zijn om de nationale welvaart van Kazachstan te vergroten, wijst immers in beginsel erop dat deze een publieke bestemming hebben. Rechtspraak - arrest Hoge Raad Kazachstan en Samruk v. Stati

Arrest Hoge Raad inzake klimaatzaak Urgenda

Uitspraak nationaal | 20 december 2019 | Hoge Raad

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

Trefwoorden: Mensenrechten, directe werking | Doorwerking internationaal recht (zie Verdragen, rechtstreekse werking)

De Hoge Raad wijst erop dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de staten die bij het verdrag zijn aangesloten ertoe verplicht om voor hun ingezetenen de rechten en vrijheden te verzekeren die in het verdrag zijn vastgesteld. Art. 2 EVRM beschermt het recht op leven, en art. 8 EVRM het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. Volgens de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is een verdragsstaat op grond van deze bepalingen verplicht om passende maatregelen te treffen, indien een reëel en ernstig risico voor het leven of het welzijn van personen bestaat en de staat daarvan op de hoogte is.  De Hoge Raad komt tot het oordeel dat de positieve verplichtingen van de artikelen 2 en 8 EVRM ook van toepassing zijn op het (mondiale) probleem van klimaatverandering. Er is volgens de Hoge Raad sprake van een voldoende reëel en ernstig risico op aantasting van het leven en welzijn van ingezetenen van Nederland als gevolg van klimaatverandering. Art. 2 en 8 EVRM dienen naar het oordeel van de Hoge Raad zo te worden uitgelegd dat landen erop kunnen worden aangesproken hun aandeel te leveren in de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Het nationale recht moet volgens art. 13 EVRM een effectief rechtsmiddel bieden om tegen een schending of dreigende schending van de door het EVRM gewaarborgde rechten op te komen.  Arrest Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:2006)

Judgment of ICJ Case Concerning Sovereignty over Certain Frontier Land (Belgium / Netherlands)

Uitspraak internationaal | 29 november 2019

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting | Grond- en zeegebied

Trefwoorden: Grensgeschil | Internationale geschillenbeslechting, vreedzame | Rechtsmacht

In deze uitspraak komt het Internationaal Gerechtshof (IGH) tot de conclusie dat de afbakening van 14 hectare land welke onderdeel is van het geschil, toebehoren aan België. Deze uitspraak is van belang omdat het IGH benadrukt dat een verdrag dat is ontworpen om een grens vast te stellen, zou moeten worden geïnterpreteerd op een manier dat het kan leiden tot een precieze, volledige en definitieve grens.

Pleitnota Nederlandse Staat tegen Urgenda in hoger beroep

Inbreng in juridische procedure nationaal | 28 mei 2018

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

Trefwoorden: Doorwerking internationaal recht (zie Verdragen, rechtstreekse werking) | Milieubescherming (zie Milieuschade; zie Internationaal milieurecht) | Milieuschade

Dit document betreft de pleitnota van de Nederlandse Staat in hoger beroep aangaande de rechtszaak van Urgenda tegen de Nederlandse Staat. Urgenda eist dat er in 2020 40% minder CO2 uitstoot is dan in 1990.

Arrest Hoge Raad (Republiek Irak, Central Bank of Iraq)

Uitspraak nationaal | 1 december 2017

Dossier: Staatsimmuniteit

Trefwoorden: Immuniteit van jurisdictie | Staatsimmuniteit

In dit arrest van de Hoge Raad wordt, in para. 3.6.2, bevestigd dat de Nederlandse rechter is gehouden – en niet slechts bevoegd - ambtshalve te onderzoeken of aan een vreemde staat of internationale organisatie immuniteit van jurisdictie toekomt. Rechtspraak - arrest Hoge Raad Republiek Irak

Award on Compensation in Arctic Sunrise arbitration

Uitspraak internationaal | 10 juli 2017

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: EEZ (zie Exclusieve Economische Zone) | Jurisdictie van de kuststaat | Jurisdictie van de vlaggenstaat | Kuststaat | Schepen, vrijgeving van | Vlaggenstaat | Vrijheid van demonstratie (zie Demonstraties)

Dit document bevat de uitspraak inzake de schadevergoeding in de Arctic Sunrise arbitrage tussen Rusland en Nederland. In de uitspraak is de hoogte van de schadevergoeding vastgesteld.

Uitspraak Raad van State in de zaak Staatssecretaris Veiligheid en Justitie v. Ohata

Uitspraak nationaal | 11 november 2016

Dossier: Bronnen internationaal recht

Trefwoorden: Handelsverdragen | Interpretatieve verklaring (zie Verklaring bij ondertekening) | Meestbegunstigingsclausule | Tewerkstelling | Verdragen, interpretatie | Vestiging, recht van

In deze uitspraak komt de Raad van State tot het oordeel dat Japanners bij de toepassing van de in het Nederlands-Japans Verdrag neergelegde meestbegunstigingsclausule geen beroep meer kunnen doen op het Nederlands-Zwitsers Tractaat, naar aanleiding van een interpretatieve verklaring van Nederland en Zwitserland ten aanzien van arbeid, verblijf en vestiging. Uitspraak

Arrest Hoge Raad (de Staat der Nederlanden v. Servaas)

Uitspraak nationaal | 14 oktober 2016

Dossier: Staatsimmuniteit

Trefwoorden: Beslag, conservatoir | Beslag, executoriaal | Immuniteit van executie | Staatsimmuniteit

In dit arrest van de Hoge Raad wordt, in para. 3.4.2, geoordeeld dat de eigendommen van een vreemde staat niet vatbaar zijn voor beslag en executie tenzij is vastgesteld dat de eigendommen een bestemming hebben die daarmee verenigbaar is. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie ligt bij de schuldeiser of beslaglegger. De beslaglegger dient gegevens aan te dragen waarmee kan worden vastgesteld dat de goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn bestemd voor andere dan publieke doeleinden. Dit arrest is onderdeel van een drietal arresten die bekend staan als de ‘Herfstarresten’. Rechtspraak - arrest Hoge Raad de staat der Nederlanden v. Servaas

Prejudiciële beslissing Hoge Raad in MSI/Gabon-zaak

Uitspraak nationaal | 30 september 2016

Dossier: Staatsimmuniteit

Trefwoorden: Beslag | Beslag, conservatoir | Immuniteit van executie | Staatsimmuniteit

In deze prejudiciële beslissing komt de Hoge Raad tot het oordeel dat het internationaal publiekrecht de uitvoerbaarheid in Nederland beperkt van zowel conservatoire als executoriale maatregelen in die zin dat dergelijke maatregelen zijn uitgesloten tenzij en voor zover er sprake is van een geval als bedoeld in artikel 19, onderdelen a tot en c, van het VN-Verdrag inzake de immuniteit van staten en hun eigendommen. Eigendommen van vreemde staten zijn niet vatbaar voor beslag en executie tenzij en voor zover is vastgesteld dat deze een bestemming hebben die daarmee niet onverenigbaar is. De bewijslast bij beslaglegging van een publieke bestemming van eigendom van vreemde staten ligt bij de beslaglegger, waarbij een presumptie van immuniteit geldt. Het toekennen van immuniteit van jurisdictie en van executie overeenkomstig internationaal publiekrecht levert geen schending op van artikel 6 EVRM.  Prejudiciële beslissing

Conclusie Procureur Generaal in geschil tussen Europese Octrooi Organisatie (EOO) en de vakbondsunie (VEOB) en de overkoepelende vakbond voor werknemers van EOO (SUEPO)

Uitspraak nationaal | 30 september 2016

Dossier: Privileges en immuniteiten

Trefwoorden: Beslag, executoriaal | Immuniteit van executie | Immuniteit van jurisdictie

De Advocaat Generaal stelt zich op het standpunt dat de Europese Octrooi Organisatie (EOO) zich terecht beroept op immuniteit van jurisdictie. Dat betekent dat de internationale organisatie niet voor de Nederlandse rechter kan worden gedaagd voor geschillen over de officiële werkzaamheden van de organisatie. De Advocaat Generaal is van oordeel dat het recht op toegang tot de rechter volgens het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens niet absoluut is. Conclusie

Fourth Supplemental Written Pleadings in the Arctic Sunrise arbitration

Inbreng in juridische procedure internationaal | 14 maart 2016

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Demonstraties | EEZ (zie Exclusieve Economische Zone) | Jurisdictie van de kuststaat | Jurisdictie van de vlaggenstaat | Kuststaat | Schepen, vrijgeving van | Vlaggenstaat | Vrijheid van demonstratie (zie Demonstraties)

Dit document bevat de vierde aanvullende schriftelijke inbreng in de Arctic Sunrise arbitrage, waarin Nederland 15 vragen van het tribunaal beantwoord over o.a. de kosten van de rigid hull inflatable boats (RHIBs), de hoeveelheid olie die aan boord was van de Arctic Sunrise en overige gemaakte kosten.

Award on Merits in Arctic Sunrise arbitration

Uitspraak internationaal | 14 augustus 2015

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Demonstraties | EEZ (zie Exclusieve Economische Zone) | Jurisdictie van de kuststaat | Jurisdictie van de vlaggenstaat | Kuststaat | Schepen, vrijgeving van | Vlaggenstaat | Vrijheid van demonstratie (zie Demonstraties)

Dit document bevat de uitspraak van het arbitraal tribunaal inzake de merites in de Arctic Sunrise arbitrage. Hierin oordeelt het tribunaal dat Rusland artikelen 56 (2), 58 (1), 58 (2), 87(1)(a) en 92 (1) van het VN-Zeerechtverdrag heeft geschonden door het betreden, inspecteren en innemen van het schip de Arctic Sunrise.

Third Supplemental Written Pleadings in the Arctic Sunrise arbitration

Inbreng in juridische procedure internationaal | 25 februari 2015

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Demonstraties | EEZ (zie Exclusieve Economische Zone) | Jurisdictie van de kuststaat | Jurisdictie van de vlaggenstaat | Kuststaat | Mensenrechtenschendingen | Schepen, vrijgeving van | Vlaggenstaat | Vrijheid van demonstratie (zie Demonstraties)

Dit document bevat de derde aanvullende schriftelijke inbreng in de Arctic Sunrise arbitrage waarin Nederland 11 vragen van het tribunaal beantwoord over o.a. de toepassing door het tribunaal van artikelen 9 en 12 (2) van het IVBPR en de arrestatie van Ms. Sini Saarela en Mr. Marco Paolo Weber.

Second Supplemental Written Pleadings in the Arctic Sunrise arbitration

Inbreng in juridische procedure internationaal | 12 januari 2015

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Demonstraties | EEZ (zie Exclusieve Economische Zone) | Jurisdictie van de kuststaat | Jurisdictie van de vlaggenstaat | Kuststaat | Schepen, vrijgeving van | Vlaggenstaat | Vrijheid van demonstratie (zie Demonstraties)

Dit document bevat de tweede aanvullende schriftelijke inbreng in de Arctic Sunrise arbitrage, waarin Nederland 12 vragen van het tribunaal beantwoord over o.a. de status van een klacht bij het EHRM en de verantwoordelijkheden van Nederland als vlaggenstaat. 

Award on Jurisdiction in Arctic Sunrise arbitration

Uitspraak internationaal | 26 november 2014

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Demonstraties | EEZ (zie Exclusieve Economische Zone) | Jurisdictie van de kuststaat | Jurisdictie van de vlaggenstaat | Kuststaat | Schepen, vrijgeving van | Vlaggenstaat | Vrijheid van demonstratie (zie Demonstraties)

Dit document bevat de uitspraak inzake de rechtsmacht van het arbitraal tribunaal in de Arctic Sunrise arbitrage. In deze uitspraak bepaalt het tribunaal dat het voorbehoud van Rusland bij het VN-Zeerechtverdrag geen gevolgen heeft voor de rechtsmacht van het tribunaal.

Arrest Hoge Raad Staat/Nederlandse Nietrokersvereniging CAN (vrijstelling rookverbod kleine cafés)

Jurisprudentie | 10 oktober 2014 | Hoge Raad

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

Trefwoorden: Doorwerking internationaal recht (zie Verdragen, rechtstreekse werking) | Verdragen, rechtstreekse werking

Volgens de Hoge Raad dient de vraag in hoeverre een verdragsbepaling rechtstreekse werking toekomt in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, te worden beantwoord door de uitleg ervan. Die uitleg vindt plaats aan de hand van de maatstaven van de artikelen 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Indien noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking van de verdragsbepaling is beoogd is de inhoud van die bepaling beslissend. Het gaat erom dat deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Zie essentie in r.o. 3.5.1-3.6.4. Arrest Hoge Raad

Supplemental Written Pleadings in the Arctic Sunrise arbitration

Inbreng in juridische procedure internationaal | 30 september 2014

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Demonstraties | EEZ (zie Exclusieve Economische Zone) | Jurisdictie van de kuststaat | Jurisdictie van de vlaggenstaat | Kuststaat | Schepen, vrijgeving van | Vlaggenstaat | Vrijheid van demonstratie (zie Demonstraties)

Dit document bevat de eerste aanvullende schriftelijke inbreng van Nederland in de Arctic Sunrise arbitrage waarin wordt ingegaan op de juridische grondslag voor schadevergoeding.

Memorial in the Arctic Sunrise arbitration

Inbreng in juridische procedure internationaal | 31 augustus 2014

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Demonstraties | EEZ (zie Exclusieve Economische Zone) | Jurisdictie van de kuststaat | Jurisdictie van de vlaggenstaat | Kuststaat | Schepen, vrijgeving van | Vlaggenstaat | Vrijheid van demonstratie (zie Demonstraties)

Dit document bevat de schriftelijke inbreng van Nederland in de Arctic Sunrise arbitrage, waarin er o.a. wordt ingegaan op de rechtsmacht van het Hof en de beweerde onrechtmatige daad van Rusland.

Notification of arbitration and Statement of Claim in the Arctic Sunrise arbitration

Inbreng in juridische procedure internationaal | 4 oktober 2013

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Demonstraties | EEZ (zie Exclusieve Economische Zone) | Jurisdictie van de kuststaat | Jurisdictie van de vlaggenstaat | Kuststaat | Mensenrechtenschendingen | Schepen, vrijgeving van | Vlaggenstaat | Vrijheid van demonstratie (zie Demonstraties)

Dit document bevat de kennisgeving van arbitrage aan Rusland door Nederland inzake het geschil over de Arctic Sunrise, en een schriftelijke uiteenzetting van de Nederlandse eisen.

Arrest Hoge Raad (Ahmad v. de Staat der Nederlanden)

Uitspraak nationaal | 28 juni 2013

Dossier: Staatsimmuniteit

Trefwoorden: Immuniteit van executie | Immuniteit van jurisdictie | Staatsimmuniteit

In dit arrest oordeelt de Hoge Raad in r.o. 3.6.2 dat het VN-Verdrag een codificatie van het internationale gewoonterecht behelst met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie en de immuniteit van executie. Rechtspraak - arrest Hoge Raad Ahmad v. de Staat der Nederlanden

Arrest Hoge Raad in de zaak Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann v. de Staat Der Nederlanden

Uitspraak nationaal | 1 april 2011

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

Trefwoorden: Nationaal recht en internationaal recht, verhouding tussen | Verdragen, implementatie | Verdragen, rechtstreekse werking

In deze uitspraak komt de Hoge Raad tot het oordeel dat het resultaat van de te nemen maatregelen in Artikel 11 lid 2, onder b, van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) onvoldoende nauwkeurig is omgeschreven en dat deze bepaling derhalve ongeschikt is voor rechtsreekse toepassing door de nationale rechter. Uitspraak 

Arrest Hoge Raad (stichting proefprocessenfonds Clara Wichmann)

Uitspraak nationaal | 1 april 2011 | Hoge Raad

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

De Hoge Raad oordeelt dat nu noch uit de tekst, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Vrouwenverdrag valt af te leiden dat de verdragsluitende Staten zijn overeengekomen dat aan art. 11 lid 2, onder b, geen rechtstreekse werking mag worden toegekend, voor het antwoord op de vraag of die verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft, de inhoud van de bepaling beslissend is: verplicht deze de Nederlandse wetgever tot het treffen van een nationale regeling met bepaalde inhoud of strekking, of is deze van dien aard dat de bepaling in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht kan functioneren (HR 30 mei 1986, LJN AC9402, NJ 1986/688). Van belang is of een bepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om door de rechter te worden toegepast. Zie essentie r.o. 3.3.3. Arrest Hoge Raad

Arrest Hoge Raad (de Staat v. Clara Wichmann c.s. en SGP v. Clara Wichmann c.s.)

Uitspraak nationaal | 9 april 2010

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

Trefwoorden: Nationaal recht en internationaal recht, verhouding tussen | Verdragen, implementatie | Verdragen, rechtstreekse werking

In deze uitspraak komt de Hoge Raad tot de conclusie dat artikel 7 (c) van het VN-Vrouwenverdrag (CEDAW) rechtstreekse werking toekomt. Dit heeft tot gevolg dat de Staat gehouden is om maatregelen te nemen die er daadwerkelijk toe leiden dat de SGP het passief kiesrecht aan vrouwen toekent en dat de Staat daarbij een maatregel moet inzetten die effectief is en tegelijkertijd de minste inbreuk maakt op de grondrechten van de (leden van de) SGP.

Arrest Hoge Raad (Vrouwenstandpunt SGP)

Jurisprudentie | 9 april 2010 | Hoge Raad

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

De Hoge Raad oordeelt dat art. 7a VN-Vrouwenverdrag rechtstreekse werking heeft (in de zin van art. 93 en 94 Gw.). Het VN-Vrouwenverdrag eist dat de Staat passief kiesrecht voor vrouwen effectief verzekert. Verdrag laat Staat op dit punt geen beleidsvrijheid. Discriminatieverbod weegt, in zoverre het de kiesrechten van alle burgers waarborgt - neergelegd in art. 4 Gw., art. 25 in verband met art. 2 IVBPR en, toegespitst op de onderhavige kwestie, art. 7 Vrouwenverdrag - zwaarder dan de andere grondrechten die in het geding zijn. Staat is gehouden maatregelen te nemen die er daadwerkelijk toe leiden dat SGP passief kiesrecht aan vrouwen toekent, waarbij de Staat een effectieve maatregel moet kiezen die zo min mogelijk inbreuk maakt op de grondrechten van de SGP. Rechter niet bevoegd Staat te bevelen wetgeving in formele zin tot stand te brengen (vgl. HR 21 maart 2003, NJ 2003, 691). Voor een rechterlijk gebod tot treffen van maatregelen ter voldoening aan art. 7 Vrouwenverdrag is in beginsel evenmin plaats. Dit geldt ook voor een bevel tot stopzetting subsidie SGP. Staat handelt in strijd met art. 7, aanhef en onder a en c, VN-Vrouwenverdrag en daarmee onrechtmatig door ten aanzien van politieke partij volgens welke aan vrouwen geen passief kiesrecht toekomt voor algemeen vertegenwoordigende overheidsorganen, niet de maatregelen te nemen die art. 7, aanhef en onder a en c, van het Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van hem vergt. Zie essentie r.o. 4.4.2 Arrest Hoge Raad

Reply to questions of the Netherlands in the ICJ Advisory Opinion of the unilateral declaration of independence by the provisional institutions of self-government of Kosovo

Inbreng in juridische procedure internationaal | 21 december 2009

Dossier: Erkenning | Zelfbeschikking volken

Trefwoorden: Adviesbevoegdheid Internationaal Gerechtshof | Afscheiding | Erkenning | Onafhankelijkheid | Zelfbeschikkingsrecht, extern

Dit document bevat de antwoorden van Nederland op de vragen van de rechters van het IGH in de Advisory Opinion inzake de unilaterale afscheiding van Kosovo. De vragen hebben betrekking op de internationaalrechtelijke regels omtrent afscheiding en het zelfbeschikkingsrecht, en de Rambouillet Accords.

Oral statement of the Netherlands in the ICJ Advisory Opinion of the unilateral declaration of independence by the provisional institutions of self- government of Kosovo

Inbreng in juridische procedure internationaal | 10 december 2009

Dossier: Erkenning | Zelfbeschikking volken

Trefwoorden: Adviesbevoegdheid Internationaal Gerechtshof | Afscheiding | Erkenning | Onafhankelijkheid | Zelfbeschikkingsrecht, extern

Dit document bevat de mondelinge verklaring van Nederland over het bestaan en uitoefenen van het bestaan van het postkoloniale recht tot zelfbeschikking en de wettige uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht door de bevolking van Kosovo.

Written Comments of the Netherlands in the ICJ Advisory Opinion of the unilateral declaration of independence by the provisional institutions of self-government of Kosovo

Inbreng in juridische procedure internationaal | 17 juli 2009

Dossier: Erkenning | Zelfbeschikking volken

Trefwoorden: Adviesbevoegdheid Internationaal Gerechtshof | Afscheiding | Erkenning | Onafhankelijkheid | Zelfbeschikkingsrecht, extern

Dit document bevat de aanvullende schriftelijke verklaring van Nederland betreffende de vraag of de proclamatie van onafhankelijkheid van Kosovo in overeenstemming is met internationaal recht, het bestaan en uitoefenen van het postkoloniale recht tot zelfbeschikking en de wettige uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht door de bevolking van Kosovo.

Written Statement of the Netherlands in the ICJ Advisory Opinion of the unilateral declaration of independence by the provisional institutions of self-government of Kosovo

Inbreng in juridische procedure internationaal | 17 april 2009

Dossier: Erkenning | Zelfbeschikking volken

Trefwoorden: Adviesbevoegdheid Internationaal Gerechtshof | Afscheiding | Erkenning | Onafhankelijkheid | Zelfbeschikkingsrecht, extern

Dit document bevat de schriftelijke verklaring van het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de vraag of de proclamatie van onafhankelijkheid van Kosovo in overeenstemming is met internationaal recht, het bestaan en uitoefenen van het postkoloniale recht tot zelfbeschikking en de wettige uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht door de bevolking van Kosovo.

Arrest Hoge Raad (Azeta v. JCR/de Staat der Nederlanden)

Uitspraak nationaal | 11 juli 2008

Dossier: Staatsimmuniteit

Trefwoorden: Immuniteit van executie | Staatsimmuniteit

In dit arrest oordeelt de Hoge Raad onder meer dat de immuniteit van executie niet absoluut is en dat staatseigendommen met een publieke bestemming in elk geval niet vatbaar zijn voor gedwongen executie. Rechtspraak - Arrest Hoge Raad Azeta v. JCR/de Staat der Nederlanden

Interpretation of the award in the arbitration regarding the Iron Rhine (IJzeren Rijn) Railway

Uitspraak internationaal | 20 september 2005

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Arbitrage | Internationale geschillenbeslechting, vreedzame | Rechtsmacht

Dit document bevat de uitleg van het arbitraal tribunaal van aspecten van de uitspraak, op verzoek van België, in de arbitrage tussen België en Nederland, inzake de verdeling van de kosten van de reactivering van de spoorverbinding IJzeren Rijn op Nederlands grondgebied.

Award in the arbitration regarding the Iron Rhine (IJzeren Rijn) Railway

Uitspraak internationaal | 24 mei 2005

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Arbitrage | Internationale geschillenbeslechting, vreedzame | Rechtsmacht

Dit document bevat de uitspraak in de arbitrage tussen België en Nederland inzake de verdeling van de kosten van de reactivering van de spoorverbinding IJzeren Rijn op Nederlands grondgebied. Het tribunaal oordeelt dat Nederland haar wetgeving en beleid met betrekking tot de IJzeren Rijn spoorweg niet op een gunstiger manier hoeft toe te passen dan andere spoorwegen in Nederland.

Correction to the award in the arbitration regarding the Iron Rhine (IJzeren Rijn) Railway

Uitspraak internationaal | 24 mei 2005

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Arbitrage | Internationale geschillenbeslechting, vreedzame | Rechtsmacht

Dit document bevat de correctie van de uitspraak in de arbitrage tussen België en Nederland inzake de verdeling van de kosten van de reactivering van de spoorverbinding IJzeren Rijn op Nederlands grondgebied. In deze correctie is op verzoek van België het woord “plan” in paragraaf 81 vervangen door het woord “works”.

Judgment of the International Court of Justice on Preliminary Objections in the Case concerning Legality of Use of Force

Uitspraak internationaal | 15 december 2004

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Geweldgebruik (zie Ius ad bellum) | Geweldgebruik, collectief | Interne aangelegenheden | Rechtsmacht | Soevereiniteit | Territoriale soevereiniteit (zie Soevereiniteit)

In deze uitspraak komt het IGH tot het oordeel dat het Gerechtshof geen rechtsmacht heeft om inhoudelijk een uitspraak te doen over dit geschil, omdat Servië geen partij was bij het Statuut van het Gerechtshof op het moment dat het de procedure tegen Nederland initieerde.

Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State Europese overeenkomst inzake Europese hoofdwegen

Jurisprudentie | 15 september 2004 | Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

Trefwoorden: Doorwerking internationaal recht (zie Verdragen, rechtstreekse werking)

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat wanneer partijen een beroep doen op een bepaling van volkenrechtelijke aard de rechter tot taak heeft om een oordeel te geven over de vraag of een correcte uitvoering en toepassing van volkenrechtelijke regels in de nationale rechtsorde heeft plaatsgevonden. De bevoegdheid van de rechter om volkenrecht toe te passen berust onder meer op de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. De rechter is bevoegd het volkenrecht toe te passen in de nationale rechtsorde, voorzover zich dat voor toepassing door hem leent, ook in gevallen waarin er geen strijd is met nationale wettelijke voorschriften. Aangezien de tekst, noch de geschiedenis van de totstandkoming van de Overeenkomst aanwijzingen bevatten dat de overeenkomstsluitende partijen al dan niet rechtstreekse werking aan de bepalingen van de Overeenkomst hebben willen verlenen, is voor de beantwoording van de vraag of aan die bepalingen een zodanige werking toekomt de inhoud  van die bepalingen beslissend. De bepalingen van de Overeenkomst dienen zodanig concreet en hanteerbaar te zijn dat zij door de rechter kunnen worden toegepast. In dat verband kunnen de bewoordingen, context, doel en strekking van de bepalingen en de samenhang met andere bepalingen uit de Overeenkomst worden bezien. Dat, zoals verweerder betoogt, de Overeenkomst alleen verplichtingen zou opleggen aan staten betekent niet zonder meer dat deze niet als een ieder verbindend kan worden aangemerkt. Voorzover verweerder wijst op het standpunt van de regering dat de bepalingen als richtlijnen dienen te worden beschouwd, merkt de Afdeling op dat beantwoording van de vraag of een verdrag een ieder verbindende bepalingen bevat uiteindelijk is voorbehouden aan de rechter. Zie essentie r.o. 2.2.3 – 2.2.6. UItspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

Rejoinder of the Kingdom of the Netherlands in the Iron Rhine (IJzeren Rijn) Railway arbitration

Inbreng in juridische procedure internationaal | 1 juni 2004

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Arbitrage | Rechtsmacht | Vreedzame geschillenbeslechting (zie Int. geschillenbeslechting, vreedzame)

Dit document bevat aanvullende schriftelijke inbreng van Nederland in de arbitrage tussen België en Nederland inzake de verdeling van de kosten van de reactivering van de spoorverbinding IJzeren Rijn op Nederlands grondgebied, waarin o.a. wordt ingegaan op de territoriale integriteit van Nederland.

Counter-memorial of the Kingdom of the Netherlands in the Iron Rhine (IJzeren Rijn) Railway arbitration

Inbreng in juridische procedure internationaal | 1 januari 2004

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Arbitrage | Internationale geschillenbeslechting, vreedzame | Rechtsmacht

Dit document bevat de schriftelijke inbreng van Nederland in de arbitrage tussen België en Nederland inzake de verdeling van de kosten van de reactivering van de spoorverbinding IJzeren Rijn op Nederlands grondgebied, waar o.a. wordt ingegaan op de feitelijke geschiedenis van de spoorweg en het Verdrag van Londen uit 1839 waarmee de onafhankelijkheid van België werd erkend.

Arrest Hof ’s-Gravenhage, 6 november 2003

Uitspraak nationaal | 6 november 2003

Dossier: Wapens

Trefwoorden: Kernwapens | Nucleaire wapens (zie Kernwapens)

In deze uitspraak komt het Hof tot het oordeel dat er geen onderzoek hoeft worden gedaan naar eventuele gevaarzetting van de opslag van kernwapens op vliegbasis Volkel. Deze uitspraak is van belang omdat het Hof bevestigd dat het voorhanden hebben van kernwapens niet in strijd is met internationaal recht.

Arrest Hoge Raad (NAVO aanvallen Federale Republiek Joegoslavië)

Jurisprudentie | 29 november 2002 | Hoge Raad

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

Trefwoorden: Doorwerking internationaal recht (zie Verdragen, rechtstreekse werking) | Verdragen, rechtstreekse werking

Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat een bepaling wil deze voor rechtstreekse werking in aanmerking komen de belangen van een individu dient te beschermen. De Hoge Raad verwijst naar de conclusie van de AG. Kern van de opvatting van de AG is dat het volkenrechtelijke agressieverbod, zoals vastgesteld in artikel 2 lid 4 van het Handvest van de Verenigde Naties, zich uitsluitend tot staten richt en dat uitsluitend staten de naleving van het verbod kunnen inroepen. Zie essentie r.o. 3.5. en paragraaf 30 van de conclusie van de A-G. Arrest Hoge Raad Conclusie A-G

Arrest Hoge Raad (Decembermoorden Suriname)

Uitspraak nationaal | 18 september 2001 | Hoge Raad

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

Trefwoorden: Doorwerking internationaal recht (zie Verdragen, rechtstreekse werking) | Verdragen, rechtstreekse werking

De Hoge Raad komt tot het oordeel dat uit art. 94 Grondwet volgt dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. In deze bepaling is, voorzover hier van belang, tot uitdrukking gebracht dat de rechter het in art. 16 Grondwet en art. 1, eerste lid, Sr vervatte verbod tot het verlenen van terugwerkende kracht wel dient te toetsen aan verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, doch dat niet mag doen aan ongeschreven volkenrecht. Deze uitleg strookt met de geschiedenis van de totstandkoming van art. 94 Grondwet. Daartoe wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot die bepaling heeft geleid (Kamerstukken II 1977-1978, 15 049 (R 1100), nr. 3, blz. 11 e.v.). De Hoge Raad komt tot de conclusie dat het de rechter niet vrijstaat de Uitvoeringswet folteringverdrag - die daarin niet voorziet - buiten toepassing te laten wegens strijd met dat ongeschreven volkenrecht. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 94 Grondwet heeft de grondwetgever toepassing van ongeschreven volkenrecht indien deze toepassing zou botsen met nationale wettelijke voorschriften, niet willen aanvaarden. Zie essentie in r.o. 4.4.1., 4.4.2. en 4.6. Arrest Hoge Raad

Judgment International Court of Justice LaGrande Case

Jurisprudentie | 27 juni 2001 | Internationaal Gerechtshof

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

Het Internationaal Gerechtshof komt op basis van de tekst van artikel 36, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen tot het oordeel dat dit artikel individuele rechten creëert die voor de nationale rechter moeten kunnen worden ingeroepen. Zie essentie par. 77. Uitspraak Internationaal Gerechtshof (IGH)

Preliminary objections of the Kingdom of the Netherlands in the Case concerning Legality of Use of Force

Inbreng in juridische procedure internationaal | 5 juli 2000

Dossier: Vreedzame geschillenbeslechting

Trefwoorden: Soevereiniteit | Territoriale soevereiniteit (zie Soevereiniteit) | Geweldgebruik (zie Ius ad bellum) | Geweldgebruik, collectief | Interne aangelegenheden | Rechtsmacht

Dit betreft schriftelijke inbreng (preliminaire bezwaren) van Nederland in de procedure van Joegoslavië tegen Nederland bij het Internationaal Gerechtshof (IGH) inzake de rechtmatigheid van het gebruik van geweld, waarin o.a. wordt ingegaan op art. 36 (2) Statuut van het Internationaal Gerechtshof en bepalingen van het Genocideverdrag.

Toont 1 - 50 van 61 resultaten.