Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Stichting Landgoed Steenbergen en anderen tegen Nederland (zaak nr. 19732/17) geoordeeld dat Nederland artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet heeft geschonden. De zaak betreft het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM), waar de toegang tot de rechter onder valt. Volgens het EHRM is een elektronische kennisgeving een voldoende adequate manier van kennisgeven van (ontwerp)besluiten. Er was immers een coherent en duidelijk systeem en een wettelijke basis voor de elektronische bekendmaking. Om die reden is er geen schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Zie Stichting Landgoed Steenbergen tegen Nederland, EHRM
Dit document bevat de periodieke rapportage (Universal Periodic Review) van het Koninkrijk der Nederlanden aan de Mensenrechtenraad (Human Rights Council) waarin de mensenrechtensituatie van het Koninkrijk wordt toegelicht. Er wordt ingegaan op specifieke mensenrechten zoals non-discriminatie, vrijheid van meningsuiting, privacy en recht op onderwijs.
Dit werkdocument van België, Brazilië, Bulgarije, Finland, Frankrijk, Duitsland, Zweden en Nederland is ingediend tijdens 32e Antarctic Treaty Consultative Meeting (ATCM) en dient als update van het werkdocument van België dat tijdens de 31ste ATCM is ingediend. Het document geeft een samenvatting van de huidige inhoud van de database voor het verzamelen van genetisch materiaal en het gebruik daarvan (bioprospecting).
Deze Kamerbrief informeert de Tweede Kamer over de situatie in Syrië op politiek, militair en humanitair gebied en de Nederlandse rol hierin. Daarnaast wordt in de brief ingegaan op het tegengaan van straffeloosheid van schendingen van mensenrechten en humanitair recht in Syrië.
Kamerbrief
Met deze Kamerbrief informeert de Minister van Buitenlandse Zaken de Tweede Kamer over zijn standpunt met betrekking tot internationale aansprakelijkheid van staten, het non-interventiebeginsel en het verlenen van steun aan niet-statelijke actoren naar aanleiding van het leveren en financieren van niet-letale steun (NLA) aan oppositiegroepen in Syrië. Tot slot wordt ingegaan op de aansprakelijkheid van Rusland voor het geven van steun aan niet-statelijke actoren in het oosten van Oekraïne (in het kader van het neerhalen van vlucht MH17).
Tweede Kamer, 2020-2021, 32623, nr. 312
Dit document bevat het statement van Nederland in de eerste commissie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) inzake “other disarmament issues and international security”.
Dit document bevat de antwoorden op de Kamervragen van leden Van Bommel en Sjoerdsma over de richtlijn registratie personen geboren in Palestina.
Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Hasselbaink tegen Nederland (zaak nr. 73329/16) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid en vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. De zaak betreft het recht op vrijheid en veiligheid (artikel 5 EVRM), in het bijzonder het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces (derde lid) en een tijdige behandeling van verzoeken om opheffing van het voorarrest (vierde lid). In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over de voorlopige hechtenis volgens het EHRM gebaseerd op het risico op recidive en hierbij is in opvolgende beslissingen bij aangesloten zonder in te gaan op de door verzoeker naar voren gebrachte argumenten in het licht van de verminderde ernst van de verdenking. Verder oordeelt het Hof dat de periodes die de rechtbank en het gerechtshof nodig hadden om tot een beslissing te komen niet voldoen aan de eis van een tijdige behandeling. Derhalve oordeelde het EHRM dat dit in strijd wordt geacht met artikel 5, derde lid van het EVRM en artikel 5, vierde lid van het EVRM.
Het VN Comité tegen Foltering (CAT) heeft in de zaak T.S. (zaak nr. 896/2018) geoordeeld dat het verbod op foltering onder artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (CAT) niet is geschonden.
De zaak betreft het verbod op foltering en in het bijzonder het gevaar op foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing bij uitzetting. Het Comité overweegt in deze zaak dat verzoeker onvoldoende bewijs heeft ingediend die wijzen op een reëel, persoonlijk en voorzienbaar risico op foltering. De verzoeker was niet in staat te bewijzen dat de gebeurtenissen van tien jaar geleden momenteel de reële interesse zouden wekken van de Sri Lankaanse autoriteiten. Derhalve oordeelt het Comité dat er bij uitzetting van verzoeker naar Sri Lanka geen schending zal plaatsvinden van artikel 3 CAT.
Deze kamerbrief informeert de Tweede Kamer over de visie van het kabinet ten aanzien van de eerste bevindingen van het Joint Investigation Team (JIT) en over de vervolging en berechting van de daders van het neerhalen van vlucht MH17.
Toont 291 - 300 van 586 resultaten.