De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse betrokkenheid in internationale mensenrechtenprocedures in 2019 alsmede activiteiten in het verlengde daarvan, inclusief verdragsrapportages onder VN-mensenrechtenverdragen.
De Hoge Raad komt tot het oordeel dat uit art. 94 Grondwet volgt dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. In deze bepaling is, voorzover hier van belang, tot uitdrukking gebracht dat de rechter het in art. 16 Grondwet en art. 1, eerste lid, Sr vervatte verbod tot het verlenen van terugwerkende kracht wel dient te toetsen aan verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, doch dat niet mag doen aan ongeschreven volkenrecht. Deze uitleg strookt met de geschiedenis van de totstandkoming van art. 94 Grondwet. Daartoe wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot die bepaling heeft geleid (Kamerstukken II 1977-1978, 15 049 (R 1100), nr. 3, blz. 11 e.v.). De Hoge Raad komt tot de conclusie dat het de rechter niet vrijstaat de Uitvoeringswet folteringverdrag - die daarin niet voorziet - buiten toepassing te laten wegens strijd met dat ongeschreven volkenrecht. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 94 Grondwet heeft de grondwetgever toepassing van ongeschreven volkenrecht indien deze toepassing zou botsen met nationale wettelijke voorschriften, niet willen aanvaarden. Zie essentie in r.o. 4.4.1., 4.4.2. en 4.6.
Arrest Hoge Raad
De minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Defensie hebben de Kamer, mede namens de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, geïnformeerd over de additionele levering van militaire goederen aan Oekraïne en de humanitaire hulpinspanningen van Nederland aan slachtoffers van de oorlog in Oekraïne.
Deze brief informeert de Tweede Kamer over de kabinetsreactie op het advies van de staatscommissie Grondwet van 11 november 2010. Het kabinet ziet onvoldoende aanleiding en urgentie om over te gaan tot een herziening van de Grondwet anders dan van artikel 13 Grondwet. Ook ten aanzien van de aanbevelingen op het gebied internationale rechtsorde, zal het kabinet geen voorstellen tot wijziging van de Grondwet entameren.
Kamerbrief (Tweede-Kamer 2011-1012, 31570, nr. 20)
Dit document bevat de Nederlandse inbreng voor een procedure onder het Verdrag van Aarhus, aangespannen door Greenpeace, over de toegang tot documenten voor het toekennen van vergunningen voor twee energiecentrales. De Nederlandse inbreng heeft betrekking op de implementatie van het Aarhus-verdrag, meer specifiek t.a.v. toegang tot milieu-informatie als voorzien in de artikelen 2, lid 3, en 4, lid 3c, van het Verdrag.
Dit document bevat de tweede aanvullende schriftelijke inbreng in de Arctic Sunrise arbitrage, waarin Nederland 12 vragen van het tribunaal beantwoord over o.a. de status van een klacht bij het EHRM en de verantwoordelijkheden van Nederland als vlaggenstaat.
Dit document bevat de vierde periodieke review van Nederland over de implementatie van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarin wordt ingegaan op alle bepalingen van het Verdrag.
Dit document bevat de schriftelijke inbreng van Nederland in de arbitrage tussen België en Nederland inzake de verdeling van de kosten van de reactivering van de spoorverbinding IJzeren Rijn op Nederlands grondgebied, waar o.a. wordt ingegaan op de feitelijke geschiedenis van de spoorweg en het Verdrag van Londen uit 1839 waarmee de onafhankelijkheid van België werd erkend.
Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Maassen tegen Nederland (zaak nr. 10982/15) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden.
De zaak betreft het recht op vrijheid en veiligheid (artikel 5 EVRM) en in het bijzonder het derde lid over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. In deze zaak is er bij nadere beslissingen om het voorarrest niet op te heffen of te schorsen volgens het EHRM onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden, waarbij niet inzichtelijk is gemaakt dat de openbare orde verstoord zou worden als verzoeker vrij zou worden gelaten. Derhalve heeft het EHRM geoordeeld dat dit in strijd wordt geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM.
Toont 511 - 520 van 638 resultaten.