Het VN BuPo Comité heeft in de zaak H.J.T. (zaak nr. 3004/2017) geoordeeld dat de beginselen van behoorlijke rechtspraak onder artikel 14, lid 5 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) niet zijn geschonden.
De zaak betreft de beginselen van behoorlijke rechtspraak, met in het bijzonder het recht om een schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet. Het mensenrechtencomité overweegt in deze zaak dat de toegezonden kennisgeving heeft geleid tot misbruik van het recht om zodanige kennisgevingen in te zenden, aangezien verzoeker de huidige klacht na meer dan 5 jaar na uitputting van de nationale rechtsmiddelen en na meer dan drie jaar na de beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft ingediend. Daarnaast heeft hij geen uitleg heeft verschaft over deze vertraging. Derhalve oordeelt het Comité dat de klacht van verzoeker niet-ontvankelijk is op grond van artikel 3 Eerste Protocol bij het IVBPR.
Dit document bevat de uitleg van het arbitraal tribunaal van aspecten van de uitspraak, op verzoek van België, in de arbitrage tussen België en Nederland, inzake de verdeling van de kosten van de reactivering van de spoorverbinding IJzeren Rijn op Nederlands grondgebied.
Dit document bevat de verklaring van Nederland waarin het de rechtsmacht van het Internationaal Gerechtshof (IGH) accepteert, zoals bedoeld in Artikel 36, paragraaf 2, van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof.
De vraag die in dit onderzoek centraal staat is of het legaliseren, decriminaliseren, beleidsmatig gedogen en/of anderszins reguleren van cannabisteelt voor recreatief gebruik toelaatbaar is onder het internationale recht. Daarbij richt de toetsing zich uitdrukkelijk ook op de vraag in hoeverre argumenten en plannen van Nederlandse gemeenten en buitenlandse initiatieven betreffende de regulering van cannabisteelt voor recreatief gebruik zich verhouden tot dat internationale recht. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om het VN Enkelvoudig Verdrag 1961 zoals gewijzigd bij Protocol van 1972, het VN Sluikhandel Verdrag 1988, het zogenoemde EU Schengenacquis, het EU Gemeenschappelijk Optreden illegale drugshandel 1996 en het EU Kaderbesluit illegale drugshandel 2004. De conclusie is dat er gelet op de internationale verplichtingen inzake drugsbestrijding, geen ruimte is voor regulering van cannabisteelt ter bevoorrading van coffeeshops. Hetzelfde geldt voor regulering van cannabisteelt in het verband van Cannabis Social Clubs of via andere modaliteiten die strekken tot recreatief gebruik door derden.
Dit document betreft de tekst van de Nederlandse stemverklaring bij stemming over Resolutie 67/19 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over toelating van de ‘Staat Palestina’ als ‘Non-Member Observer State’ tot die organisatie. Het Koninkrijk heeft zich bij die gelegenheid onthouden van stemming. De verklaring licht de stempositie toe.
Deze Kamerbrief informeert de Tweede Kamer dat er in samenspraak met Australië, België, Maleisië en Oekraïne is besloten om de vervolging en berechting van verdachten van het neerhalen van vlucht MH17 zal plaatsvinden in en door Nederland.
Kamerbrief
Dit werkdocument van VK, Nederland en Spanje is ingediend tijdens de 36ste Antarctic Treaty Consultative Meeting en bevat aanbevelingen naar aanleiding van de inspecties die Nederland, Spanje en VK hebben uitgevoerd op verschillende bases, stations en vaartuigen in Antarctica.
De Afdeling advisering concludeert dat het initiatiefwetsvoorstel in strijd is met de twee belangrijkste verdragen die zien op cannabis, namelijk het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen uit 1961 (EV) en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen uit 1988 (SV). De argumenten in de toelichting waarom het initiatiefwetsvoorstel in het licht van deze verdragen toelaatbaar zou zijn, zijn volgens de Afdeling ontoereikend. Ook het beroep op het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt heeft bij het SV is in dit geval niet toereikend.
In deze uitspraak komt het Internationaal Gerechtshof (IGH) tot de conclusie dat het gebruik van het equidistantiebeginsel voor de afbakening van de Noordzee niet leidend is tussen partijen, omdat dit principe niet kon worden aangemerkt als gewoonterecht. In deze uitspraak verduidelijkt het Hof welke vereisten er nodig zijn voordat gebruiken en gewoonten kunnen worden aangemerkt als gewoonterecht. In dit verband gaat het ook in op opinio juris.
Deze brief informeert de Tweede Kamer over de intensivering van de Nederlandse bijdrage aan zowel een politieke oplossing voor Syrië als de strijd tegen ISIS in Irak en Syrië. De intensivering behelst een breed pakket aan maatregelen, onder te verdelen in politieke, militaire en stabilisatiemiddelen.
Toont 521 - 530 van 637 resultaten.