Dit werkdocument van Nederland en Duitsland is ingediend tijdens de 34ste Antarctic Treaty Consultative Meeting met als doel om de Rules of Procedure (RoP) aan te passen om tussentijdse officiële verzoeken en vragen van internationale actoren over het Antarctische Verdragssysteem te kunnen faciliteren. Deze vragen en verzoeken dreigen anders onbeantwoord te blijven omdat er geen adequaat mechanisme is voor tijdig overleg tussen de ATS partijen.
Dit werkdocument van Nederland is ingediend tijdens de 36ste Antarctic Treaty Consultative Meeting en bevat een rapport van de tijdens de 35ste ATCM ingestelde Intersessional Contact Group (ICG) dat als doel had om het toerisme en de non-gouvernementele activiteiten op Antarctica weer te geven.
Deze Kamerbrief informeert de Tweede Kamer naar aanleiding van een resolutie van het parlement van Oekraïne over de stukken die deel uitmaakten van de Krimtentoonstelling te Amsterdam. Het is niet aan het kabinet om te besluiten wat er met de betwiste stukken moet gebeuren of wie rechthebbende is van de stukken. Dit is in beginsel een vraag van privaatrechtelijke aard die tussen de betrokken partijen en naar het toepasselijke recht beantwoord zal moeten worden. Dat laat onverlet dat er een aantal internationaalrechtelijke aspecten spelen die aanleiding kunnen geven voor een rol voor het kabinet. De internationaalrechtelijke aspecten betreffen de huidige status van de Krim, die gevolgen heeft voor het daar toepasselijke recht en de vraag welke autoriteiten bevoegd zijn; de mogelijkheid dat (voorgenomen) executiemaatregelen strijdig zijn met internationaal recht; en internationale afspraken over cultureel erfgoed o.a. in UNESCO-verband.
Tweede Kamer, 2015-2016, 34 300 V, nr. 7, officiëlebekendmakingen.nl
Deze kamerbrief informeert de Tweede Kamer over de vraag wie een beslissende stem heeft bij de beantwoording van de vraag of Sint Eustatius al dan niet een onafhankelijke status verkrijgt.
Kamerbrief
Dit document bevat advies nr. 41 van de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) over de rechtsgevolgen van een ernstige schending van een regel van dwingend recht: de internationale rechten en plichten van staten bij schending van het agressieverbod, en de reactie van het Kabinet op dit advies.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak W.P.W. tegen Nederland (zaak nr. 57294/16) besloten de zaak niet ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 35, derde lid, onder a, en vierde lid, van het EVRM.
De zaak betreft het recht op het privéleven (artikel 8 EVRM), de vrijheid van beweging (artikel 2 Protocol Nr. 4 EVRM), het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) en het recht op daadwerkelijk rechtsmiddel (artikel 13 EVRM). Het EHRM overweegt dat voor de inbreuk op de rechten onder artikel 8 EVRM sprake is van een legitiem doel, omdat vingerafdrukken worden afgenomen en bewaard om identiteitsfraude en vervalsing van paspoorten tegen te gaan. Over de noodzakelijkheid concludeert het EHRM dat het vermoeden van gelijkwaardige bescherming van mensenrechten door de EU van toepassing is en de bescherming van EVRM-rechten in de huidige casus niet duidelijk tekort is geschoten. Derhalve heeft het EHRM de zaak niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 35, derde lid, onder a, en vierde lid, van het EVRM.
Dit document bevat de slotopmerkingen (‘concluding observations’) van het VN-Comité voor de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie betreffende de 19e tot en met 21e rapporten van Nederland uit 2015.
Dit advies van de Commissie inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) heeft betrekking op het preadvies van Christopher Greenwood over humanitair oorlogsrecht, dat gegeven is vanwege de herdenking van het feit dat het in 1999 honderd jaar geelden was dat de Eerste Haagse Vredesconferentie plaatsvond. Tijdens deze herdenking was het humanitair oorlogsrecht een van de onderwerpen waarover een seminar is gegeven.
Toont 551 - 560 van 623 resultaten.