Het belangrijkste verdrag op het gebied van het zeerecht is het Verdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake het recht van de zee (VN-Zeerechtverdrag). De overgrote meerderheid van staten, waaronder het Koninkrijk der Nederlanden, is partij bij dit verdrag.
De volle zee behoort tot de internationale gebieden die niet kunnen worden onderworpen aan de territoriale rechtsmacht van staten. De toegang tot deze gebieden en het duurzaam gebruik hiervan is daarom een verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap als geheel.
Het Koninkrijk heeft een lange traditie van actieve betrokkenheid en grote inbreng in internationale fora waar wordt gewerkt aan de ontwikkeling van het recht van de zee en het beheer van de volle zee.
Sinds 2018 wordt in VN-verband gewerkt aan een juridisch bindend instrument onder het VN-Zeerechtverdrag over het behoud en duurzaam gebruik van de mariene biologische diversiteit in gebieden buiten nationale rechtsmacht (BBNJ-proces). Op 17 januari 2026 is de BBNJ-overeenkomst in werking getreden, nadat dit instrument op 19 juni 2023 in New York tot stand is gekomen en door 112 staten is ondertekend. Dit instrument ziet onder andere op mariene genetische bronnen, gebiedsgerichte beheerinstrumenten, milieueffectrapportages, capaciteitsopbouw, en overdracht van mariene technologie. Nederland zet sinds het begin actief in op het welslagen van het BBNJ-proces. Deze inzet komt voort uit het belang dat Nederland hecht aan de bescherming en het verantwoord gebruik van de internationale gebieden.
Het Koninkrijk der Nederlanden heeft de overeenkomst op 20 september 2023 ondertekend, maar nog niet aanvaard. Om aanvaarding van de BBNJ-overeenkomst voor het Koninkrijk mogelijk te maken, moet de BBNJ-overeenkomst parlementair worden goedgekeurd. Nadat de parlementaire goedkeuring is verkregen, kan worden overgegaan tot aanvaarding van de BBNJ-overeenkomst. Het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van de BBNJ-overeenkomst zal tegelijkertijd met het voorstel voor de uitvoeringswetgeving van de BBNJ-overeenkomst aan het parlement worden aangeboden. Sinds het moment van ondertekening wordt door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, als coördinerend ministerie, samen met het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, en het Ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt aan het opstellen van uitvoeringswetgeving voor Nederland. Nederland is verantwoordelijk voor het opstellen van uitvoeringswetgeving voor zowel het Europese deel van Nederland als het Caribische deel van Nederland (de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba). In de nieuwe wetgeving moeten uitvoerders worden aangewezen, nieuwe procedures worden opgezet voor de uitwisseling van gegevens en toezicht en handhaving worden vastgesteld. De ministeries willen dit nauwkeurig doen, zodat het voor Nederlandse partijen duidelijk is wat van hen wordt verwacht als zij actief willen zijn in gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht. Hoe soepeler het proces, hoe makkelijker het wordt om een vergunning aan te vragen voor een activiteit. Daarbij dienen de wetgeving en procedures die hierbij worden opgesteld doeltreffend, transparant en uitvoerbaar te zijn. Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande wetgeving en procedures.
In het eerste jaar nadat de BBNJ-overeenkomst in werking is getreden zal er een Conferentie van de Partijen (COP) plaatsvinden. Tijdens de eerste COP zullen veel besluiten genomen worden over zaken die het werk van de COP mogelijk maken, waaronder een deel van de begroting bij de BBNJ-overeenkomst. Daarnaast zullen Partijen mogen stemmen over de vestigingsplaats van het Secretariaat. Ook worden mogelijk gebiedsgerichte maatregelen, zoals beschermde mariene gebieden, en eisen voor milieueffectbeoordelingen besproken die invloed kunnen hebben op bedrijven die gevestigd zijn in het Koninkrijk.
De oceaanbodem en de ondergrond van de zeegebieden buiten nationale rechtsmacht vallen onder het beheer van de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA of 'de Autoriteit'). Diepzeemijnbouw in deze gebieden gaat over de exploratie en exploitatie van minerale rijkdommen in en op de bodem op basis van de gedachte dat deze gebieden en minerale rijkdommen behoren tot het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid (‘common heritage of mankind’). De opbrengsten van de ontginning van deze natuurlijke rijkdommen moeten ten goede komen aan alle staten en volkeren en voor ontginning is toestemming nodig van de Autoriteit.
Het Koninkrijk is vertegenwoordigd in de Assemblée en de Raad van de Autoriteit, en draagt bij aan de ontwikkeling van beleid en regelgeving ten aanzien van diepzeemijnbouw. Het Koninkrijk zet zich ervoor in om huidige en toekomstige diepzeemijnbouwactiviteiten op een duurzame manier te laten plaatsvinden. Hierbij zijn het voorzorgsbeginsel en adaptief beheer (‘adaptive management’) noodzakelijk om te voorkomen dat grondstofwinning de veerkracht en gezondheid van ecosystemen en de mariene biodiversiteit in de oceanen aantast.
Informatie over de rechten en plichten van staten in de verschillende zeegebieden is te vinden onder het thema ‘Staten’ in het dossier Grond‑ en zeegebied.