Zoeken

Web content search

1 Zoekresultaten

Sorteren op: Datum /

EHRM Dijkhuizen v. Nederland - geen schending recht op een eerlijk proces

Uitspraak internationaal | 8 juni 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Dijkhuizen tegen Nederland (zaak nr. 61591/16) geoordeeld dat Nederland artikel 6, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet heeft geschonden. Artikel 6 bevat het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht om in persoon bij de rechtszitting aanwezig te zijn. Volgens het EHRM heeft verzoeker meerdere malen expliciet en bij monde van zijn advocaat geweigerd om via een videoverbinding deel te nemen aan de rechtszaak. Daarom hoefde het Gerechtshof niet in te gaan op het verzoek om alsnog via een videoverbinding deel te mogen nemen dat werd gedaan op de laatste dag van de openbare behandeling.   Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat het doel en de opzet van artikel 6 in zijn geheel genomen is, dat een persoon aan wie een strafbaar feit ten laste wordt gelegd, recht heeft om deel te nemen aan de zitting. Het is voor een eerlijk proces van groot belang dat de beschuldigde ter zitting aanwezig kan zijn. Daarbij is het cruciale belang van een zitting naar aanleiding van een ingediend beroep minder groot dan de oorspronkelijke inhoudelijke zitting in de strafprocedure. In dat kader moet in ieder geval de specifieke aspecten van de procedure worden bezien en de wijze waarop de belangen van de verzoeker daarbij zijn beschermd, aldus het EHRM.   Kijkend naar de omstandigheden van dit geval staat voor het EHRM vast dat het voor verzoeker onmogelijk was om naar Nederland terug te keren voor het bijwonen van de rechtszitting in beroep, omdat hij in Peru gedetineerd was in verband met een strafrechtelijke verdenking. Hoewel er geen officieel uitleveringsverzoek is gedaan, is de door de regering verkregen informatie over de onmogelijkheid om verzoeker uitgeleverd te krijgen met het oog op de zitting voldoende betrouwbaar en verzoeker heeft deze informatie ook niet betwist. De regering heeft voldoende gedaan om de mogelijkheden voor internationale juridische samenwerking te onderzoeken. Mede gezien de omstandigheid dat deze procedure deel uitmaakte van een omvangrijke en complexe strafzaak waarbij zeven verdachten waren betrokken die op dat moment elk in een ander land verbleven, mocht het gerechtshof een videoverbinding voor verzoeker in de plaats stellen van fysieke aanwezigheid bij de rechtszitting. Daarbij komt dat de herhaalde weigering van verzoeker om mee te werken aan een videoverbinding, die een periode van elf maanden werd volgehouden, kan niet anders worden gezien dan als een verklaring dat hij afziet van zijn recht om aanwezig te zijn bij de rechtszitting in zijn eigen zaak. Het gerechtshof mocht daarom afzien van inwilliging van het verzoek van de advocaat dat werd gedaan in zijn slotpleidooi, om de procedure toch te verlengen met het oog op een videoverbinding met verzoeker. Met deze gang van zaken is er geen sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM, aldus het EHRM.