Zoeken

Web content search

1 Zoekresultaten

Sorteren op: Datum /

Beslissing EHRM - M.T. tegen Nederland - geen schending verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling

Uitspraak internationaal | 18 mei 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Foltering, verbod | Onmenselijke en vernederende behandeling, verbod (zie Foltering, verbod)

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de beslissing in de zaak M.T. tegen Nederland (zaak nr. 46595/19) geoordeeld dat Nederland artikel 3, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet heeft geschonden. Artikel 3 bevat het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Verzoekster en haar minderjarige dochters zijn afkomstig uit Eritrea en zijn in maart 2018 in Nederland aangekomen. Uit de database van de Europese Unie bleek dat zij in januari 2018 al in Italië asiel hadden aangevraagd. Daarom heeft de regering verzocht om verzoekster en haar kinderen weer te mogen overdragen aan Italië. Dat verzoek werd door de Italiaanse overheid goedgekeurd. Volgens het EHRM heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat, als zij met haar kinderen wordt overgebracht naar Italië, voor haar een situatie in het vooruitzicht ligt die een dusdanig daadwerkelijk en onontkoombaar risico op hardheid omvat, dat die situatie ernstig genoeg is om onder artikel 3 EVRM te vallen. Het EHRM herhaalt in de beslissing dat een slechte behandeling een bepaalde mate van ernst moet hebben om binnen het bereik van artikel 3 EVRM te vallen. Deze noodzakelijke mate van ernst is relatief en afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Verder wijst het EHRM erop dat in eerdere zaken vanaf 2008 is geoordeeld dat een specifieke bevestiging van de Italiaanse autoriteiten nodig was om ervan uit te kunnen gaan dat kwetsbare asielzoekers, zoals kinderen, in gepaste opvangfaciliteiten terecht zouden komen en dat het gezin bij elkaar zou worden gehouden. In een aantal gevallen vanaf 2015 is geoordeeld dat algemene toezeggingen van de Italiaanse overheid in circulaires daarover voldoende waren. Omdat verzoekster en haar kinderen zich ten tijde van de beslissing nog in Nederland bevonden, heeft het EHRM alle beschikbare informatie meegenomen, ook als die van later datum was dan de Nederlandse besluitvorming. In dat kader wordt opgemerkt dat in oktober 2020 wijzigingen hebben plaatsgevonden in het Italiaanse opvangsysteem. Daaruit volgt dat verzoekster en haar kinderen in aanmerking komen voor plaatsing in een gepaste opvangvoorziening. Dit wordt bevestigd door de UNHCR. Verder is er geen aanleiding voor de aanname dat de Nederlandse overheid de Italiaanse overheid niet zou inlichten over de verwachte aankomstdatum van verzoekster en haar kinderen, hun gezinssituatie en eventuele medische bijzonderheden. Hierbij merkt het EHRM op dat verzoekster niet heeft gesteld dat de medische zorg die haar jongste dochter nodig heeft, in Italië niet beschikbaar is. Om deze redenen heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat haar situatie na overdracht aan Italië, vanuit materieel, fysiek of psychologisch oogpunt een voldoende daadwerkelijk en onontkoombaar risico op hardheid omvat om binnen de reikwijdte van artikel 3 EVRM te vallen, aldus het EHRM. De klacht over schending van artikel 3 van het EVRM is kennelijk ongegrond en daarom niet-ontvankelijk verklaard. Zie M.T. tegen Nederland, EHRM