Het EHRM heeft in de zaak E.G.E. t. Nederland een schending van artikel 3 EVRM (verbod van foltering) vastgesteld.
De zaak betreft een politieoptreden waarbij een agent disproportioneel geweld heeft gebruikt tegen de partner van verzoekster. Dit geweld omvatte onder meer een vuistslag tegen het achterhoofd, alsmede andere vormen van geweld. De partner van verzoekster overleed kort daarna op het politiebureau, vermoedelijk als gevolg van een hoge cocaïneconcentratie in zijn lichaam. Een verband tussen het gebruikte geweld en zijn overlijden werd niet vastgesteld. Nadat de agent niet werd vervolgd, klaagde verzoekster hierover bij het gerechtshof, dat oordeelde dat de vuistslag weliswaar achterwege had moeten blijven, maar geen vervolging rechtvaardigde. Het EHRM stelt vast dat verzoekster als slachtoffer kan worden aangemerkt en oordeelt dat de regering niet overtuigend heeft aangetoond dat de vuistslag strikt noodzakelijk en proportioneel was, mede omdat de partner van verzoekster geen wapen bij zich had en al onder controle van vier agenten was. Het EHRM heeft geoordeeld dat er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM.
In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2025 betrokken is geweest. In het rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk ten uitvoer moeten worden gelegd.
Dit document bevat de achtste tussentijdse rapportage van Nederland onder het Verdrag tegen Foltering en andere Wrede, Onmenselijke en Onterende Behandeling of Bestraffing (CAT). De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse implementatie van verplichtingen onder het Verdrag.
Dit document bevat de zevende tussentijdse rapportage van Nederland onder het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW). De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse implementatie van verplichtingen onder het Verdrag.
Dit document bevat de zevende tussentijdse rapportage van Nederland onder het Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR/ECOCUL). De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse implementatie van verplichtingen onder het Verdrag.
In deze kamerbrief gaat de Minister van Buitenlandse Zaken in op rapporten over de situatie in Gaza van verschillende NGO's en de verplichtingen van Nederland onder het Genocideverdrag en het Statuut van Rome. Deze brief verwijst ook naar de moeilijkheden met het bewijzen van genocide en de jurisprudentie en dissussies omtrent de juiste bewijsstandaarden.
In deze brief gaat de Minister van Buitenlandse Zaken in op de inzet van de Nederlandse regering ten aanzien van de bescherming van mensenrechten en gemeenschappen, het tegengaan van straffeloosheid en de opbouw van juridische en maatschappelijke capaciteit in Syrië. Daarbij gaat de Minister ook in op hoe de regering uitvoering geeft aan de moties Dobbe c.s., Van Baarle en Piri.
Het VN BuPo Comité heeft in de zaak W.S.J. t. Nederland (zaak nr. 3077/2017) vastgesteld dat Nederland het recht op gelijke behandeling onder artikelen 2, lid 1, en 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) niet heeft geschonden.
De zaak betreft een pensioengerechtigde in Caraïbisch Nederland die stelt dat zijn pensioen lager is dan dat van pensioengerechtigden in Europees Nederland. Hierdoor zou sprake zijn van een schending van het recht op gelijke behandeling. Het Comité kijkt enkel naar de klacht onder artikel 26 IVBPR en oordeelt dat de verzoeker niet in een gelijke situatie verkeert als Europees Nederlands pensioengerechtigden. Het verschil in behandeling kan volgens het Comité objectief en naar redelijkheid worden gerechtvaardigd, omdat er sociaaleconomische en juridische verschillen bestaan tussen Caraïbisch Nederland en Europees Nederland. Het Comité oordeelt dat er geen sprake is van een schending van het recht op een gelijke behandeling.
In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2024 betrokken is geweest. In het rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk ten uitvoer moeten worden gelegd.
In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2023 betrokken is geweest. In rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk ten uitvoer moeten worden gelegd.
Toont 1 - 10 van 87 resultaten.