Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak F.G.Z. (zaak nr. 69491/16) geoordeeld dat Nederland artikel 5 lid 3 van het Verdrag (EVRM) heeft geschonden.
De zaak betreft het recht op vrijheid en veiligheid. De verzoeker stelt dat er onvoldoende grond was voor verlenging van zijn voorlopige hechtenis en dat de diverse beslissingen daarover bovendien onvoldoende gemotiveerd waren. Het EHRM herhaalt onder verwijzing naar vaste jurisprudentie het uitgangspunt dat het de verantwoordelijkheid is van de nationale autoriteiten om een voorlopige hechtenis niet onredelijk lang te laten duren. In dat kader moet de rechtvaardiging voor voorlopige hechtenis altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden. Vanwege het gebrek aan een kenbare afweging van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden zijn de beslissingen om de voorlopige hechtenis niet op te heffen of te schorsen onvoldoende onderbouwd. Daarom concludeert het EHRM dat er sprake is van een schending van artikel 5 lid 3 EVRM.
In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2022 betrokken is geweest. In rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk ten uitvoer moeten worden gelegd.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak M.M. (zaak nr. 10982/15) geoordeeld dat Nederland artikel 5 lid 3 van het Verdrag (EVRM) heeft geschonden.
De zaak betreft het recht op vrijheid en veiligheid. De verzoeker stelt dat er onvoldoende grond was voor zijn voorlopige hechtenis of, subsidiair, dat de diverse beslissingen over de voortzetting van de hechtenis onvoldoende gemotiveerd waren. Het EHRM herhaalt onder verwijzing naar vaste jurisprudentie het uitgangspunt dat het de verantwoordelijkheid is van de nationale autoriteiten om een voorlopige hechtenis niet onredelijk lang te laten duren. In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over de voorlopige hechtenis volgens het EHRM voldoende met redenen omkleed. Daarom concludeert het EHRM dat er sprake is van een schending van artikel 5 lid 3 EVRM.
Dit document bevat de ingediende zienswijze door Nederland met betrekking tot de adviesprocedure bij het Internationaal Gerechtshof over de juridische gevolgen van de afscheiding van de Chagosarchipel van Mauritius in 1965.
Dit document bevat een gezamenlijke verklaring van verschillende staten waarin steun wordt uitgesproken voor de procedure van Oekraïne tegen Rusland bij het Internationaal Gerechtshof (IGH) onder het Genocideverdrag.
In deze brief informeert Minister Hoekstra (BZ) de Tweede Kamer over het besluit van Canada en Nederland om een procedure tegen Syrië te starten voor het Internationaal Gerechtshof (IGH) in Den Haag op basis van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing.
Deze publicatie bevat een gezamenlijke verklaring van van Nederland, Canada, Denemarken, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk over interventie in de zaak van Gambia tegen Myanmar onder het Genocideverdrag bij het Internationaal Gerechtshof.
In deze resolutie veroordeelt de VN-Veiligheidsraad het neerschieten van de vlucht MH17 en roept de raad alle staten en actoren in de regio op mee te werken aan het bergen van de lichamen en het verdere onderzoek.
In deze resolutie besluit de VN-Veiligheidsraad tot het oprichten van een speciaal internationaal tribunaal voor de vervolging en berechting van personen die verantwoordelijk worden gehouden voor genocide of andere serieuze schendingen van internationaal recht in Rwanda in 1994. Het document bevat ook het statuut van het Rwandatribunaal.
Toont 151 - 160 van 629 resultaten.