Zoeken

Web content search

65 Zoekresultaten

Sorteren op: Datum /

Uitspraak EHRM inzake X tegen Nederland - schending recht op een eerlijk proces

Uitspraak internationaal | 3 november 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak X tegen Nederland (zaak nr. 72631/17) geoordeeld dat Nederland het recht op een eerlijk proces onder artikel 6 eerste en derde lid van het Verdrag (EVRM) heeft geschonden. 

De zaak betreft het recht op een eerlijk proces en in het bijzonder het recht om in persoon bij een zitting aanwezig te zijn en hieraan deel te nemen. 
Verzoekster heeft geen afstand gedaan van haar recht om in persoon bij de zitting aanwezig te zijn, maar kon door een professionele fout van haar vertegenwoordiging niet deelnemen. Het EHRM stelt dat verzoekster in staat had moeten worden gesteld om deel te nemen aan de zitting en dat de belangen die het gerechtshof voorrang heeft gegeven niet zwaarder hadden mogen wegen dan het belang van verzoekster om in persoon bij de zitting aanwezig te zijn.

Het EHRM oordeelt dan ook dat artikel 6 eerste en derde lid van het EVRM zijn geschonden.
 

Zienswijze CAT - S.R. v. Nederland – geen schending verbod op foltering

Uitspraak internationaal | 22 juli 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Foltering, verbod

Het VN Comité tegen Foltering (CAT) heeft in de zaak S.R. (zaak nr. 834/2017) geoordeeld dat het verbod op foltering onder artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (CAT) niet is geschonden. De zaak betreft het verbod op foltering en in het bijzonder het gevaar op foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing bij uitzetting. Het Comité overweegt in deze zaak dat verzoeker onvoldoende bewijs heeft ingediende die wijzen op een reëel, persoonlijk en voorzienbaar risico op foltering. De verzoeker was niet in staat te bewijzen dat de Sri Lankaanse autoriteiten enig moment interesse in hem hebben gehad  en dat verzoeker momenteel de reële interesse zou wekken van hen. Derhalve oordeelt het Comité dat er bij uitzetting van verzoeker naar Sri Lanka geen schending zal plaats vinden van artikel 3 CAT.

Zienswijze CAT - T.S. v. Nederland – geen schending verbod op foltering

Uitspraak internationaal | 19 juli 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Foltering, verbod

Het VN Comité tegen Foltering (CAT) heeft in de zaak T.S. (zaak nr. 896/2018) geoordeeld dat het verbod op foltering onder artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (CAT) niet is geschonden. De zaak betreft het verbod op foltering en in het bijzonder het gevaar op foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing bij uitzetting. Het Comité overweegt in deze zaak dat verzoeker onvoldoende bewijs heeft ingediend die wijzen op een reëel, persoonlijk en voorzienbaar risico op foltering. De verzoeker was niet in staat te bewijzen dat de gebeurtenissen van tien jaar geleden momenteel de reële interesse zouden wekken van de Sri Lankaanse autoriteiten. Derhalve oordeelt het Comité dat er bij uitzetting van verzoeker naar Sri Lanka geen schending zal plaatsvinden van artikel 3 CAT.

Beslissing EHRM I.B. v. Nederland - geen schending recht op eerlijk proces

Uitspraak internationaal | 15 juli 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak I.B. tegen Nederland (zaak nr. 35751/20) geoordeeld dat Nederland het recht  om tijdens een zitting gehoord te worden in een procedure omtrent de rechtmatigheid van detentie onder artikel 5, vierde lid, van het Verdrag (EVRM) niet heeft geschonden. De zaak betreft het recht op een eerlijk proces en in het bijzonder het recht om in persoon of via een videoverbinding tijdens een zitting gehoord te worden. 


De zitting in de procedure van verzoeker vond plaats in de eerste weken van de COVID-19-pandemie. Op dat moment beschikte het detentiecentrum nog niet over voldoende technische en praktische voorzieningen om alle partijen via een videoverbinding te horen. Daardoor kon verzoeker niet in persoon of via videoverbinding tijdens de zitting worden gehoord. 


Gezien de onvoorziene praktische problemen waarmee de rechtbanken te maken kregen in de eerste weken van de COVID-19 pandemie en de omstandigheid dat zijn advocaat wel telefonisch bij de zitting was, oordeelt het EHRM dat er geen schending heeft plaatsgevonden van artikel 5 lid 4 EVRM.
 

EHRM Dijkhuizen v. Nederland - geen schending recht op een eerlijk proces

Uitspraak internationaal | 8 juni 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak Dijkhuizen tegen Nederland (zaak nr. 61591/16) geoordeeld dat Nederland het recht op een eerlijk proces onder artikel 6, derde lid, van het Verdrag (EVRM) niet heeft geschonden.

De zaak betreft het recht op een eerlijk proces, meer in het bijzonder het recht om in persoon bij de rechtszitting aanwezig te zijn en of een videoverbinding een gerechtvaardigde vorm van aanwezigheid is. De vraag die wordt gesteld, isof het gerechtshof mocht afzien van inwilliging van het verzoek om verlenging van de procedure met het oog op een videoverbinding met verzoeker.

Hoewel het voor een eerlijk proces van groot belang is dat de beschuldigde ter zitting aanwezig kan zijn, kunnen diverse factoren meespelen waardoor een videoverbinding voldoet aan de waarborgen zoals de complexiteit van een zaak, locatie van de klager en of de klager heeft meegewerkt en welwillend was. 

Op basis van het voorgaande oordeelt het EHRM dat er geen schending heeft plaatsgevonden van artikel 6 lid 3 EVRM. 
 

Uitspraak EHRM - Centrum för rättvisa tegen Zweden - schending eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie

Uitspraak internationaal | 25 mei 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerbiediging van privé leven, familie- en gezinsleven (zie Privacy) | Privacy | Proportionaliteitsbeginsel

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Centrum för rättvisa tegen Zweden (zaak nr. 35252/08) geoordeeld dat Zweden artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 8 bevat het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie. De schending is aangenomen omdat het Zweedse regime voor bulk-interceptie van gegevens niet is onderworpen aan voldoende waarborgen.

Nederland heeft als derde-partij een reactie ingediend over een aantal punten die in algemene zin spelen bij bulk-interceptie van gegevens en dus zaakoverstijgend zijn.

Het EHRM overweegt dat de beslissing voor een regime voor bulk-interceptie op zich niet in strijd is met artikel 8 EVRM. In het licht van het veranderende karakter van moderne communicatietechnologie, moet de gebruikelijke wijze van toetsing voor surveillancesystemen worden aangepast aan de specifieke eigenschappen van een bulk-interceptiesysteem, waarbij het inherente risico bestaat op misbruik en tegelijkertijd een legitieme behoefte bestaat voor geheimhouding. Voor een dergelijk systeem zijn ‘end to end’-waarborgen noodzakelijk. Dit betekent dat op nationaal niveau bij elke stap in het proces een beoordeling moet plaatsvinden van de noodzaak en proportionaliteit van de te nemen maatregelen. Ook moet er voorafgaand onafhankelijk toezicht zijn voor de bulk-interceptie op het moment dat het doel en de omvang ervan bekend worden. Daarnaast moet toezicht worden gehouden op de operatie en moet er na afloop onafhankelijk toezicht zijn, aldus het EHRM.

Het EHRM constateert dat de Zweedse autoriteiten veel inspanningen hebben geleverd om ervoor te zorgen dat het Zweedse regime voor bulk-interceptie zou voldoen aan de eisen van het EVRM. Desondanks stelt het EHRM vast dat aan het regime drie gebreken kleven, namelijk:
- het ontbreken van een duidelijke regel over het vernietigen van het opgevangen materiaal dat geen persoonsgegevens bevatte;
- het ontbreken van een vereiste in relevante wetgeving dat bij een besluit omtrent het delen van materiaal met buitenlandse partners de privacybelangen van individuen moeten worden afgewogen, en;
- het ontbreken van een effectieve toetsing na afloop.

Gelet hierop gaat het Zweedse regime voor bulk-interceptie de ‘margin of appreciation’ die nationale autoriteiten hebben in dit soort situaties te buiten en was er onvoldoende waarborg tegen willekeur en misbruik. Daarom is er een schending van artikel 8 van het EVRM geconstateerd.

Zie Centrum för rättvisa tegen Zweden, EHRM

Uitspraak EHRM - Big brother watch and others tegen Verenigd Koninkrijk - schending eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie en vrijheid van meningsuiting

Uitspraak internationaal | 25 mei 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerbiediging van privé leven, familie- en gezinsleven (zie Privacy) | Privacy | Vrijheid van meningsuiting

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak Big Brother Watch en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk (zaken nrs. 58170/13, 62322/14 en 24960/15) geoordeeld dat artikel 8 en artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn geschonden. Artikel 8 bevat het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie. Artikel 10 ziet op de vrijheid van meningsuiting. De schendingen zijn aangenomen omdat het Britse regime voor bulk-interceptie van gegevens niet is onderworpen aan voldoende waarborgen en onvoldoende bescherming biedt aan vertrouwelijk journalistiek materiaal.

Nederland heeft als derde-partij een reactie ingediend over een aantal punten die in algemene zin spelen bij bulk-interceptie van gegevens en dus zaakoverstijgend zijn.

Het EHRM overweegt dat de beslissing voor een regime voor bulk-interceptie op zich niet in strijd is met artikel 8 EVRM. In het licht van het veranderende karakter van moderne communicatietechnologie, moet de gebruikelijke wijze van toetsing voor surveillancesystemen worden aangepast aan de specifieke eigenschappen van een bulk-interceptiesysteem, waarbij het inherente risico bestaat op misbruik en tegelijkertijd een legitieme behoefte bestaat voor geheimhouding.  Voor een dergelijk systeem zijn ‘end to end’-waarborgen noodzakelijk. Dit betekent dat op nationaal niveau bij elke stap in het proces een beoordeling moet plaatsvinden van de noodzaak en proportionaliteit van de te nemen maatregelen. Ook moet er voorafgaand onafhankelijk toezicht zijn voor de bulk-interceptie op het moment dat het doel en de omvang ervan bekend worden. Daarnaast moet toezicht worden gehouden op de operatie en moet er na afloop onafhankelijk toezicht zijn, aldus het EHRM.

Het EHRM constateert bij toepassing van de nieuwe uitgebreide criteria dat aan het Britse regime voor bulk-interceptie zoals dat gold tussen 2000 en 2016 drie gebreken kleven, namelijk:
- het ontbreken van een onafhankelijke autorisatie van een bevel tot bulk-interceptie;
- het niet noemen van categorieën van selectiecriteria in de aanvraag voor een bevel, en;
- het niet verzekeren dat aan een individu gekoppelde zoektermen aan voorafgaande interne autorisatie onderworpen zijn.
Daarbij erkent het EHRM het waardevolle toezicht en de robuuste juridische toetsing door de specifiek hiervoor aangewezen ‘Interception of communications Commissioner’ en het ‘Investigatory Powers Tribunal’. Deze waarborgen wegen echter niet op tegen de geconstateerde tekortkomingen.
Gelet hierop gaat de inbreuk (‘ interference’ ) die het Britse regime voor bulk-interceptie maakt op het privéleven van burgers verder dan ‘necessary in a democratic society’. Daarom is er een schending van artikel 8 van het EVRM geconstateerd.

Over artikel 10 EVRM herhaalt het EHRM dat de bescherming van bronnen van een journalist een hoeksteen is van de vrijheid van de pers. Het EHRM stelt vast dat het Britse regime geen waarborgen bevat die verzekeren dat gegevens die niet speciaal met dat oogmerk zijn verzameld, maar die toch vertrouwelijk journalistiek materiaal bevatten, pas opgeslagen kunnen blijven en onderzocht kunnen worden door een analist na autorisatie daarvoor door een rechter of een ander onafhankelijk beslisorgaan. Daarom is er ook een schending van artikel 10 van het EVRM geconstateerd.

Beslissing EHRM - M.T. tegen Nederland - geen schending verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling

Uitspraak internationaal | 18 mei 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Foltering, verbod | Onmenselijke en vernederende behandeling, verbod (zie Foltering, verbod)

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de beslissing in de zaak M.T. tegen Nederland (zaak nr. 46595/19) geoordeeld dat Nederland artikel 3, eerste lid, van het Verdrag (EVRM), en dus het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, niet heeft geschonden. 

De zaak betreft een vreemdelingenzaak waarbij verzoekster met haar kinderen in Nederland asiel heeft aangevraagd, terwijl zij dit al eerder in Italië had aangevraagd. Daarom heeft de regering verzocht om verzoekster en haar kinderen weer te mogen overdragen aan Italië. Volgens het EHRM heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat, als zij met haar kinderen wordt overgebracht naar Italië, de situatie waarin zij terecht zou komen zodanig ernstig genoeg is om onder artikel 3 EVRM te vallen. Het EHRM weegt mee dat het opvangsysteem in Italië sinds 2020 is veranderd en dat (wat tevens is bevestigd door de UNHCR) niet is bewezen dat bepaalde medische zorg voor de verzoekster haar kinderen niet mogelijk is in Italië.  

De klacht over schending van artikel 3 van het EVRM is kennelijk ongegrond en daarom niet-ontvankelijk verklaard. 

Uitspraak EHRM - Stichting Landgoed Steenbergen tegen Nederland - geen schending eerlijk proces

Uitspraak internationaal | 16 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Stichting Landgoed Steenbergen en anderen tegen Nederland (zaak nr. 19732/17) geoordeeld dat Nederland artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet heeft geschonden. Artikel 6 bevat het recht op een eerlijk proces, waaronder de toegang tot de rechter valt. Volgens het EHRM is een elektronische kennisgeving een voldoende adequate manier van kennisgeven van (ontwerp)besluiten, gelet op de coherentie van het systeem waarbij een evenredige afweging is gemaakt en het hoge aantal internetgebruikers in Nederland.

Het EHRM herhaalt in het arrest dat het recht op toegang tot de rechter ook het recht omvat om op adequate wijze kennis te nemen van bestuurlijke en juridische besluiten en dat dit met name van belang is in gevallen waarbij een rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn moet worden ingezet. Het recht op toegang tot de rechter is echter geen absoluut recht, het mag worden beperkt en moet ook gereguleerd worden door de nationale overheid. Staten hebben daarbij een beoordelingsmarge. In gevallen als deze wordt beoordeeld of klagers konden uitgaan van een coherent systeem waarbij een evenredige afweging is gemaakt tussen de belangen van de overheid en hun eigen belangen, aldus het EHRM.

In deze zaak is de kennisgeving gebaseerd op de Verordening elektronische bekendmaking van de provincie Gelderland. Het systeem van deze Verordening is voldoende coherent en duidelijk. Voor de elektronische bekendmaking bestond derhalve een wettelijke basis waarvan het bestaan voldoende onder de aandacht van het publiek is gebracht. Verder is van belang dat in Nederland meer dan 92% van de burgers boven de twaalf jaar beschikking heeft over internet. Bovendien hebben klagers ook niet aangegeven dat zij niet beschikken over toegang tot een computer of het internet. Gelet hierop komt het EHRM tot de conclusie dat het systeem van elektronische bekendmaking in Gelderland een coherent systeem is waarbij een evenredige afweging is gemaakt tussen het algemeen belang van de samenleving en de belangen van klagers. Daarom is er geen schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en is het niet nodig om de klacht over schending van artikel 13 van het EVRM apart beoordelen.

De klacht over schending van artikel 8 van het EVRM is niet-ontvankelijk verklaard.

Zie Stichting Landgoed Steenbergen tegen Nederland, EHRM

Uitspraak EHRM Maassen tegen Nederland - schending recht op vrijheid en veiligheid

Uitspraak internationaal | 9 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces | Redelijke termijn | Voorlopige invrijheidstelling

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Maassen tegen Nederland (zaak nr. 10982/15) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 5 bevat het recht op vrijheid en veiligheid. Het derde lid gaat specifiek over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. De schending is aangenomen, omdat herhaaldelijke beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, onvoldoende onderbouwd zijn.

Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat een voorarrest niet onredelijk lang mag duren. Een redelijke verdenking is de basis van een voorarrest, maar dat op zich is niet voldoende om beslissingen om het voorarrest te laten voortduren op te baseren. Daarbij is ook nog van belang of er andere gronden zijn om de vrijheidsontneming te rechtvaardigen en als die gronden nog relevant en voldoende zijn, moet worden bezien of de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. In dat kader moet de rechtvaardiging voor detentie altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden, aldus het EHRM.

In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over het voorarrest volgens het EHRM voldoende relevant en met redenen omkleed. Bij opvolgende beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, is echter onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden. Gelet hierop zijn die beslissingen onvoldoende onderbouwd en daarom in strijd geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM.

Zie Maassen tegen Nederland, EHRM

Toont 1 - 10 van 65 resultaten.