Nederland heeft op 18 september 2020 Syrië aansprakelijk gesteld voor grove mensenrechtenschendingen, foltering in het bijzonder. Met een diplomatieke nota is Syrië van dit besluit op de hoogte ...
In deze brief informeert Minister Hoekstra (BZ) de Tweede Kamer over het besluit van Canada en Nederland om een procedure tegen Syrië te starten voor het Internationaal Gerechtshof (IGH) in Den Haag op basis van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing.
In deze brief gaat de Minister van Buitenlandse Zaken in op de inzet van de Nederlandse regering ten aanzien van de bescherming van mensenrechten en gemeenschappen, het tegengaan van straffeloosheid en de opbouw van juridische en maatschappelijke capaciteit in Syrië. Daarbij gaat de Minister ook in op hoe de regering uitvoering geeft aan de moties Dobbe c.s., Van Baarle en Piri.
In deze Kamerbrief is vermeld dat Nederland via een diplomatieke nota Syrië aansprakelijk heeft gesteld voor grove mensenrechtenschendingen en foltering in het bijzonder. Nederland heeft Syrië gewezen op de internationale verplichtingen die het heeft om de schendingen te beëindigen en slachtoffers volledig rechtsherstel te bieden. Nederland heeft Syrië gevraagd in onderhandeling te treden. Als geen overeenstemming wordt bereikt tussen de landen, zal Nederland de zaak voorleggen aan een internationale rechter. Het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing van 1984, dat door Syrië in 2004 werd geratificeerd biedt hiervoor een rechtsgrondslag.
Kamerbrief (Tweede-Kamer, 32623, nr. 301)