Het EHRM heeft in de zaak E.G.E. t. Nederland een schending van artikel 3 EVRM (verbod van foltering) vastgesteld.
De zaak betreft een politieoptreden waarbij een agent disproportioneel geweld heeft gebruikt tegen de partner van verzoekster. Dit geweld omvatte onder meer een vuistslag tegen het achterhoofd, alsmede andere vormen van geweld. De partner van verzoekster overleed kort daarna op het politiebureau, vermoedelijk als gevolg van een hoge cocaïneconcentratie in zijn lichaam. Een verband tussen het gebruikte geweld en zijn overlijden werd niet vastgesteld. Nadat de agent niet werd vervolgd, klaagde verzoekster hierover bij het gerechtshof, dat oordeelde dat de vuistslag weliswaar achterwege had moeten blijven, maar geen vervolging rechtvaardigde. Het EHRM stelt vast dat verzoekster als slachtoffer kan worden aangemerkt en oordeelt dat de regering niet overtuigend heeft aangetoond dat de vuistslag strikt noodzakelijk en proportioneel was, mede omdat de partner van verzoekster geen wapen bij zich had en al onder controle van vier agenten was. Het EHRM heeft geoordeeld dat er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM.
Het VN BuPo Comité heeft in de zaak W.S.J. t. Nederland (zaak nr. 3077/2017) vastgesteld dat Nederland het recht op gelijke behandeling onder artikelen 2, lid 1, en 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) niet heeft geschonden.
De zaak betreft een pensioengerechtigde in Caraïbisch Nederland die stelt dat zijn pensioen lager is dan dat van pensioengerechtigden in Europees Nederland. Hierdoor zou sprake zijn van een schending van het recht op gelijke behandeling. Het Comité kijkt enkel naar de klacht onder artikel 26 IVBPR en oordeelt dat de verzoeker niet in een gelijke situatie verkeert als Europees Nederlands pensioengerechtigden. Het verschil in behandeling kan volgens het Comité objectief en naar redelijkheid worden gerechtvaardigd, omdat er sociaaleconomische en juridische verschillen bestaan tussen Caraïbisch Nederland en Europees Nederland. Het Comité oordeelt dat er geen sprake is van een schending van het recht op een gelijke behandeling.
In dit verslag van de hoorzitting van 10 december 2024 in de IGH-adviesprocedure over klimaatverandering kunt u de Nederlandse inbreng vinden.
Dit document bevat het schriftelijk commentaar van Nederland in de IGH-adviesprocedure over de verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering.
Dit document bevat de schriftelijke inbreng van Nederland van 21 maart 2024 in de IGH-adviesprocedure over de verplichtingen van staten met betrekking tot klimaat verandering.
In dit verslag van de hoorzitting van 20 februari 2024 in de IGH-adviesprocedure over de juridische gevolgen van het beleid en de praktijken van Israël in de bezette Palestijnse gebieden kunt u de Nederlanse inbreng vinden.
In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2024 betrokken is geweest. In het rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk ten uitvoer moeten worden gelegd.
Dit document bevat de ingediende zienswijze door Nederland met betrekking tot de adviesprocedure bij het Internationaal Gerechtshof over de juridische gevolgen van de afscheiding van de Chagosarchipel van Mauritius in 1965.
In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2023 betrokken is geweest. In rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk ten uitvoer moeten worden gelegd.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak A.M.A. tegen Nederland (zaak nr. 23048/19) geoordeeld dat Nederland de procedurele kant van het verbod op foltering, onmenselijke of vernederende behandeling onder artikel 3 van het Verdrag (EVRM) heeft geschonden.
De zaak betreft de uitzetting van verzoeker naar Bahrein, nadat zijn tweede asielverzoek in Nederland was afgewezen. Verzoeker klaagt dat dat de Nederlandse autoriteiten het risico dat hij bij uitzetting naar Bahrein aan onmenselijke en vernederende behandelingen zou worden onderworpen onvoldoende hebben ingeschat in strijd met artikel 3 EVRM. Het EHRM overweegt dat de autoriteiten op het laatste moment door verzoeker overgelegd bewijsmateriaal buiten beschouwing hebben gelaten, zonder de mogelijke relevantie ervan in hun definitieve risicobeoordeling mee te nemen. Dit werd met name verwijtbaar geacht gelet op de overige in het dossier beschikbare informatie alsook de algemene situatie in Bahrein. Het EHRM oordeelt dat een dergelijke benadering te beperkt is geweest en dat Nederland daarmee niet heeft voldaan aan de strenge en zorgvuldige onderzoeksplicht die volgt uit artikel 3 EVRM. Hiermee heeft er schending van artikel 3 EVRM plaatsgevonden.
Toont 1 - 10 van 106 resultaten.