In deze resolutie besluit de VN-Veiligheidsraad tot oprichting van een speciaal tribunaal voor de vervolging en berechting van personen die verantwoordelijk gehouden worden voor de aanslag op de voormalige Libanese premier Rafiq Hariri. Het document bevat ook het statuut van dit speciale tribunaal.
Deze resolutie bevat een rapport over de taakomschrijving van het IIIM, kort voor International, Impartial and Independent Mechanism to Assist in the Investigation and Prosecution of Persons Responsible for the Most Serious Crimes under International Law Committed in the Syrian Arab Republic since March 2011. Het rapport gaat o.a. in op het mandaat, het juridisch kader, de werkwijze en de samenstelling van dit mechanisme.
In dit document reageert het kabinet op advies nummer 24 van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) over Extern optreden van de Europese Unie en internationaal recht. Dit advies is op 20 mei 2014 uitgebracht nadat de Minister van Buitenlandse zaken er in december 2012 om had verzocht.
In dit document stelt Nederland dat het van plan is te interveniëren in de zaak tussen Zuid-Afrika en Israël bij het IGH. Deze zaak gaat over de toepassing en naleving van het Genocideverdrag, waar Nederland ook partij bij is. In deze verklaring geeft Nederland ook een overzicht van de onderwerpen die in deze interventie aan bod zullen komen.
In deze brief informeert de Minister van Buitenlandse Zaken de Tweede Kamer nader over de verklaring tot interventie in de rechtszaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof. De Minister benadrukt dat deze verklaring niet betekent dat Nederland een inhoudelijke positie inneemt in de zaak of partij zou kiezen. Deze interventie ziet louter op een juridische interpretatie van delen van het Genocideverdrag en heeft als doel de ontwikkeling van het internationaal recht te bevorderen.
In dit document geeft de Minister van Buitenlandse zaken antwoord op vragen van Tweede Kamerleden Piri (GroenLinks-PvdA) en Boswijk (CDA) over de aansprakelijkstelling van Afghanistan door Nederland, Australië, Canada en Duitsland. Deze aansprakelijkstelling ziet op het niet-nakomen van verplichtingen onder het Vrouwenverdrag door Afghanistan.
Zie ook Eindrapport van de Evaluatie van de Rijkswet van 21 april 2017
In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2021 betrokken is geweest. In rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk ten uitvoer moeten worden gelegd.
Het VN BuPo Comité heeft in de zaak S.Y. (zaak nr. 2392/2014) gesteld dat het recht op hoger beroep onder artikel 14, lid 5 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), alleen en gelezen in samenhang met het recht op een effectief rechtsmiddel onder artikel 2, lid 5 van het IVBPR zijn geschonden.
De zaak betreft een veroordeling voor mishandeling, waar tegen in hoger beroep werd gegaan door verzoekster. Dit werd afgewezen op grond van artikel 410a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, waarin wordt bepaald dat hoger beroep tegen zaken waar het gaat om een geldboete lager dan 500 euro slechts in behandeling wordt genomen als dat nodig is in het belang van een goede rechtsbedeling (‘Verlofstelsel’). Verzoekster klaagt bij het Comité dat zij geen reële mogelijkheid heeft gekregen haar zaak door een tweede rechterlijke instantie inhoudelijk te laten beoordelen en stelt dat dit in strijd is met het recht op hoger beroep zoals vastgelegd in artikel 14 lid 5 van het IVBPR. Hierbij wijst verzoekster op het feit dat zij op het moment van instellen van hoger beroep niet beschikte over een schriftelijke uitspraak van de rechtbank en niet wist op basis van welk bewijs zij was veroordeeld. Het Comité stelt vast dat veroordeelden moeten kunnen beschikken over een schriftelijke, gemotiveerde beslissing van hun veroordeling en over voldoende informatie om hun recht op hoger beroep effectief te kunnen uitoefenen. Het Comité oordeelt dat hiervan geen sprake is geweest in het geval van verzoekster. Verder oordeelt het Comité dat onterecht is besloten het hoger beroep niet in behandeling te nemen. Om deze redenen is sprake van een schending van artikel 14 lid 5 IVBPR (recht op hoger beroep in strafzaken) alleen, en in samenhang gelezen met artikel 2 lid 3 van het IVBPR (recht op een effectief rechtsmiddel).
Het VN BuPo Comité heeft in de zaak J.O.Z. en E.E.I.Z. t. Nederland (zaak nr. 2796/2016) vastgesteld dat sprake is van een schending van artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), alleen en gelezen in samenhang met artikel 24 IVBPR.
De zaak betreft het verbod op foltering, wrede, onmenselijke of vernederende behandeling (artikel 7 IVBPR) en de rechten van het kind (artikel 24 IVBPR). Het Comité stelt op basis van artikelen 6 en 7 IVBPR lidstaten personen niet mogen uitzetten naar een gebied waar deze een reëel risico lopen op onherstelbare schade. Het Comité benadrukt dat dit risico persoonlijk moet zijn, waarbij de grens hoog ligt. Volgens het Comité valt vrouwelijke genitale verminking onder een verboden behandeling zoals bedoeld in artikel 7 IVBPR. Bij de beoordeling van de vraag of de regering in dit geval willekeurig heeft gehandeld of dat er sprake is van een kennelijke fout of dat geen rechtmatige beslissing is genomen, kijkt het Comité naar verschillende factoren. Op basis van deze factoren oordeelt het comité dat de regering het risico dat de dochter van verzoekster zou lopen op vrouwelijke genitale verminking bij terugkeer onjuist heeft beoordeeld. Om deze reden is sprake van een schending van artikel 7 IVBPR, alleen en in samenhang met artikel 24 IVBPR.
Toont 161 - 170 van 633 resultaten.