Zoeken

Web content search

446 Zoekresultaten

Sorteren op: Datum /

Wat is het Tractatenblad?

Veelgestelde vragen | 10 augustus 2021

Dossier: Bronnen internationaal recht

In het Tractatenblad worden alle verdragen en volkenrechtelijke besluiten gepubliceerd die Nederland heeft gesloten met andere staten of volkenrechtelijke organisaties. De officiële bekendmakingen ...

Wat is een internationale organisatie?

Veelgestelde vragen | 10 augustus 2021

Dossier: Oprichting | Lidmaatschap | Privileges en immuniteiten | Zetelverdragen

Een internationale organisatie (IO) is een bij verdrag opgericht samenwerkingsverband tussen staten met eigen taken en organen. Een intergouvernementele organisatie (IGO) is een internationale ...

Virtual Consultations MLA Initiative

Agenda | 22 juni 2021 | Online

On the 22nd and 23rd of June 2021 the first round of Virtual Consultations will take place. During these consultations States representatives as well as representatives from International ...

Kamerbrief inzake stand van zaken staatsaansprakelijkheid en statenklacht MH17

Kamerbrief | 9 juni 2021

Dossier: Staatsaansprakelijkheid | MH17

Trefwoorden: MH17 | Staatsaansprakelijkheid (zie Aansprakelijkheid, Staats-) | Statenklachtrecht

Deze Kamerbrief bevat de stand van zaken ten aanzien van de staatsaansprakelijkheid, de statenklacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het strafrechtelijk onderzoek en strafproces, en het naar aanleiding van de motie van het lid Van Dam uitgevoerde nader feitenonderzoek. In de brief wordt onder meer aangeven dat de mogelijkheid om het geschil inzake staatsaansprakelijkheid van Rusland voor te leggen aan een internationale rechter of organisatie serieus wordt overwogen. Tweede Kamer, 2020-2021, 33997, nr. 164  

EHRM Dijkhuizen v. Nederland - geen schending recht op een eerlijk proces

Uitspraak internationaal | 8 juni 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Dijkhuizen tegen Nederland (zaak nr. 61591/16) geoordeeld dat Nederland artikel 6, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet heeft geschonden. Artikel 6 bevat het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht om in persoon bij de rechtszitting aanwezig te zijn. Volgens het EHRM heeft verzoeker meerdere malen expliciet en bij monde van zijn advocaat geweigerd om via een videoverbinding deel te nemen aan de rechtszaak. Daarom hoefde het Gerechtshof niet in te gaan op het verzoek om alsnog via een videoverbinding deel te mogen nemen dat werd gedaan op de laatste dag van de openbare behandeling.   Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat het doel en de opzet van artikel 6 in zijn geheel genomen is, dat een persoon aan wie een strafbaar feit ten laste wordt gelegd, recht heeft om deel te nemen aan de zitting. Het is voor een eerlijk proces van groot belang dat de beschuldigde ter zitting aanwezig kan zijn. Daarbij is het cruciale belang van een zitting naar aanleiding van een ingediend beroep minder groot dan de oorspronkelijke inhoudelijke zitting in de strafprocedure. In dat kader moet in ieder geval de specifieke aspecten van de procedure worden bezien en de wijze waarop de belangen van de verzoeker daarbij zijn beschermd, aldus het EHRM.   Kijkend naar de omstandigheden van dit geval staat voor het EHRM vast dat het voor verzoeker onmogelijk was om naar Nederland terug te keren voor het bijwonen van de rechtszitting in beroep, omdat hij in Peru gedetineerd was in verband met een strafrechtelijke verdenking. Hoewel er geen officieel uitleveringsverzoek is gedaan, is de door de regering verkregen informatie over de onmogelijkheid om verzoeker uitgeleverd te krijgen met het oog op de zitting voldoende betrouwbaar en verzoeker heeft deze informatie ook niet betwist. De regering heeft voldoende gedaan om de mogelijkheden voor internationale juridische samenwerking te onderzoeken. Mede gezien de omstandigheid dat deze procedure deel uitmaakte van een omvangrijke en complexe strafzaak waarbij zeven verdachten waren betrokken die op dat moment elk in een ander land verbleven, mocht het gerechtshof een videoverbinding voor verzoeker in de plaats stellen van fysieke aanwezigheid bij de rechtszitting. Daarbij komt dat de herhaalde weigering van verzoeker om mee te werken aan een videoverbinding, die een periode van elf maanden werd volgehouden, kan niet anders worden gezien dan als een verklaring dat hij afziet van zijn recht om aanwezig te zijn bij de rechtszitting in zijn eigen zaak. Het gerechtshof mocht daarom afzien van inwilliging van het verzoek van de advocaat dat werd gedaan in zijn slotpleidooi, om de procedure toch te verlengen met het oog op een videoverbinding met verzoeker. Met deze gang van zaken is er geen sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM, aldus het EHRM.

Uitspraak EHRM - Centrum för rättvisa tegen Zweden - schending eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie

Uitspraak internationaal | 25 mei 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerbiediging van privé leven, familie- en gezinsleven (zie Privacy) | Privacy | Proportionaliteitsbeginsel

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Centrum för rättvisa tegen Zweden (zaak nr. 35252/08) geoordeeld dat Zweden artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 8 bevat het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie. De schending is aangenomen omdat het Zweedse regime voor bulk-interceptie van gegevens niet is onderworpen aan voldoende waarborgen. Nederland heeft als derde-partij een reactie ingediend over een aantal punten die in algemene zin spelen bij bulk-interceptie van gegevens en dus zaakoverstijgend zijn. Het EHRM overweegt dat de beslissing voor een regime voor bulk-interceptie op zich niet in strijd is met artikel 8 EVRM. In het licht van het veranderende karakter van moderne communicatietechnologie, moet de gebruikelijke wijze van toetsing voor surveillancesystemen worden aangepast aan de specifieke eigenschappen van een bulk-interceptiesysteem, waarbij het inherente risico bestaat op misbruik en tegelijkertijd een legitieme behoefte bestaat voor geheimhouding.  Voor een dergelijk systeem zijn ‘end to end’-waarborgen noodzakelijk. Dit betekent dat op nationaal niveau bij elke stap in het proces een beoordeling moet plaatsvinden van de noodzaak en proportionaliteit van de te nemen maatregelen. Ook moet er voorafgaand onafhankelijk toezicht zijn voor de bulk-interceptie op het moment dat het doel en de omvang ervan bekend worden. Daarnaast moet toezicht worden gehouden op de operatie en moet er na afloop onafhankelijk toezicht zijn, aldus het EHRM. Het EHRM constateert dat de Zweedse autoriteiten veel inspanningen hebben geleverd om ervoor te zorgen dat het Zweedse regime voor bulk-interceptie zou voldoen aan de eisen van het EVRM. Desondanks stelt het EHRM vast dat aan het regime drie gebreken kleven, namelijk: - het ontbreken van een duidelijke regel over het vernietigen van het opgevangen materiaal dat geen persoonsgegevens bevatte; - het ontbreken van een vereiste in relevante wetgeving dat bij een besluit omtrent het delen van materiaal met buitenlandse partners de privacybelangen van individuen moeten worden afgewogen, en; - het ontbreken van een effectieve toetsing na afloop. Gelet hierop gaat het Zweedse regime voor bulk-interceptie de ‘margin of appreciation’ die nationale autoriteiten hebben in dit soort situaties te buiten en was er onvoldoende waarborg tegen willekeur en misbruik. Daarom is er een schending van artikel 8 van het EVRM geconstateerd. Zie Centrum för rättvisa tegen Zweden, EHRM

Uitspraak EHRM - Big brother watch and others tegen Verenigd Koninkrijk - schending eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie en vrijheid van meningsuiting

Uitspraak internationaal | 25 mei 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerbiediging van privé leven, familie- en gezinsleven (zie Privacy) | Privacy | Vrijheid van meningsuiting

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak Big Brother Watch en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk (zaken nrs. 58170/13, 62322/14 en 24960/15) geoordeeld dat artikel 8 en artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn geschonden. Artikel 8 bevat het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie. Artikel 10 ziet op de vrijheid van meningsuiting. De schendingen zijn aangenomen omdat het Britse regime voor bulk-interceptie van gegevens niet is onderworpen aan voldoende waarborgen en onvoldoende bescherming biedt aan vertrouwelijk journalistiek materiaal. Nederland heeft als derde-partij een reactie ingediend over een aantal punten die in algemene zin spelen bij bulk-interceptie van gegevens en dus zaakoverstijgend zijn. Het EHRM overweegt dat de beslissing voor een regime voor bulk-interceptie op zich niet in strijd is met artikel 8 EVRM. In het licht van het veranderende karakter van moderne communicatietechnologie, moet de gebruikelijke wijze van toetsing voor surveillancesystemen worden aangepast aan de specifieke eigenschappen van een bulk-interceptiesysteem, waarbij het inherente risico bestaat op misbruik en tegelijkertijd een legitieme behoefte bestaat voor geheimhouding.  Voor een dergelijk systeem zijn ‘end to end’-waarborgen noodzakelijk. Dit betekent dat op nationaal niveau bij elke stap in het proces een beoordeling moet plaatsvinden van de noodzaak en proportionaliteit van de te nemen maatregelen. Ook moet er voorafgaand onafhankelijk toezicht zijn voor de bulk-interceptie op het moment dat het doel en de omvang ervan bekend worden. Daarnaast moet toezicht worden gehouden op de operatie en moet er na afloop onafhankelijk toezicht zijn, aldus het EHRM. Het EHRM constateert bij toepassing van de nieuwe uitgebreide criteria dat aan het Britse regime voor bulk-interceptie zoals dat gold tussen 2000 en 2016 drie gebreken kleven, namelijk: - het ontbreken van een onafhankelijke autorisatie van een bevel tot bulk-interceptie; - het niet noemen van categorieën van selectiecriteria in de aanvraag voor een bevel, en; - het niet verzekeren dat aan een individu gekoppelde zoektermen aan voorafgaande interne autorisatie onderworpen zijn. Daarbij erkent het EHRM het waardevolle toezicht en de robuuste juridische toetsing door de specifiek hiervoor aangewezen ‘Interception of communications Commissioner’ en het ‘Investigatory Powers Tribunal’. Deze waarborgen wegen echter niet op tegen de geconstateerde tekortkomingen. Gelet hierop gaat de inbreuk (‘ interference’ ) die het Britse regime voor bulk-interceptie maakt op het privéleven van burgers verder dan ‘necessary in a democratic society’. Daarom is er een schending van artikel 8 van het EVRM geconstateerd. Over artikel 10 EVRM herhaalt het EHRM dat de bescherming van bronnen van een journalist een hoeksteen is van de vrijheid van de pers. Het EHRM stelt vast dat het Britse regime geen waarborgen bevat die verzekeren dat gegevens die niet speciaal met dat oogmerk zijn verzameld, maar die toch vertrouwelijk journalistiek materiaal bevatten, pas opgeslagen kunnen blijven en onderzocht kunnen worden door een analist na autorisatie daarvoor door een rechter of een ander onafhankelijk beslisorgaan. Daarom is er ook een schending van artikel 10 van het EVRM geconstateerd  

Beslissing EHRM - M.T. tegen Nederland - geen schending verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling

Uitspraak internationaal | 18 mei 2021 | Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Foltering, verbod | Onmenselijke en vernederende behandeling, verbod (zie Foltering, verbod)

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de beslissing in de zaak M.T. tegen Nederland (zaak nr. 46595/19) geoordeeld dat Nederland artikel 3, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet heeft geschonden. Artikel 3 bevat het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Verzoekster en haar minderjarige dochters zijn afkomstig uit Eritrea en zijn in maart 2018 in Nederland aangekomen. Uit de database van de Europese Unie bleek dat zij in januari 2018 al in Italië asiel hadden aangevraagd. Daarom heeft de regering verzocht om verzoekster en haar kinderen weer te mogen overdragen aan Italië. Dat verzoek werd door de Italiaanse overheid goedgekeurd. Volgens het EHRM heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat, als zij met haar kinderen wordt overgebracht naar Italië, voor haar een situatie in het vooruitzicht ligt die een dusdanig daadwerkelijk en onontkoombaar risico op hardheid omvat, dat die situatie ernstig genoeg is om onder artikel 3 EVRM te vallen. Het EHRM herhaalt in de beslissing dat een slechte behandeling een bepaalde mate van ernst moet hebben om binnen het bereik van artikel 3 EVRM te vallen. Deze noodzakelijke mate van ernst is relatief en afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Verder wijst het EHRM erop dat in eerdere zaken vanaf 2008 is geoordeeld dat een specifieke bevestiging van de Italiaanse autoriteiten nodig was om ervan uit te kunnen gaan dat kwetsbare asielzoekers, zoals kinderen, in gepaste opvangfaciliteiten terecht zouden komen en dat het gezin bij elkaar zou worden gehouden. In een aantal gevallen vanaf 2015 is geoordeeld dat algemene toezeggingen van de Italiaanse overheid in circulaires daarover voldoende waren. Omdat verzoekster en haar kinderen zich ten tijde van de beslissing nog in Nederland bevonden, heeft het EHRM alle beschikbare informatie meegenomen, ook als die van later datum was dan de Nederlandse besluitvorming. In dat kader wordt opgemerkt dat in oktober 2020 wijzigingen hebben plaatsgevonden in het Italiaanse opvangsysteem. Daaruit volgt dat verzoekster en haar kinderen in aanmerking komen voor plaatsing in een gepaste opvangvoorziening. Dit wordt bevestigd door de UNHCR. Verder is er geen aanleiding voor de aanname dat de Nederlandse overheid de Italiaanse overheid niet zou inlichten over de verwachte aankomstdatum van verzoekster en haar kinderen, hun gezinssituatie en eventuele medische bijzonderheden. Hierbij merkt het EHRM op dat verzoekster niet heeft gesteld dat de medische zorg die haar jongste dochter nodig heeft, in Italië niet beschikbaar is. Om deze redenen heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat haar situatie na overdracht aan Italië, vanuit materieel, fysiek of psychologisch oogpunt een voldoende daadwerkelijk en onontkoombaar risico op hardheid omvat om binnen de reikwijdte van artikel 3 EVRM te vallen, aldus het EHRM. De klacht over schending van artikel 3 van het EVRM is kennelijk ongegrond en daarom niet-ontvankelijk verklaard. Zie M.T. tegen Nederland, EHRM

Rapportage internationale mensenrechtenprocedures 2020

Overig | 18 mei 2021 | Minister van Buitenlandse Zaken

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Mensenrechtenschendingen | Individueel klachtrecht | Verdragsverplichtingen, materiële schending van

In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2020 betrokken is geweest. In rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk tenuitvoer moeten worden gelegd.

Two-pager MLA initiative 2021

Document | 10 mei 2021

Toont 1 - 10 van 446 resultaten.