Dit document bevat de kabinetsreactie op het CAVV advies over de verplichting van derde staten om genocide te voorkomen. De CAVV heeft dit advies uit eigen beweging gegeven.
Betreft: Implementatie beleidsvisie collecties uit een koloniale context
In deze Kamerbrief wordt ingegaan op de bijzondere herdenkingsactiviteiten rond de tienjarige herdenking van het neerhalen van vlucht MH17. Daarnaast is er aandacht voor een symposium over slachtofferhulp bij luchtvaartrampen en voor het initiatief van de Stichting Vliegramp MH17 om een informatie- en documentatiecentrum op te richten. Ook wordt een update gegeven van de stand van zaken van de twee internationale juridische procedures die Nederland is gestart tegen de Russische Federatie vanwege diens rol bij het neerhalen van vlucht MH17.
Deze Kamerbrief bevat een update over het besluit van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) van 17 maart 2023 in de juridische procedure die Nederland samen met Australië startte tegen de Russische Federatie voor de Russische rol bij het neerhalen van vlucht MH17.
Deze kamerbrief bevat een update over de stand van zaken in de verschillende juridische procedures rondom het neerhalen van vlucht MH17. Het betreft het besluit van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO Raad) en de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over het neerhalen van vlucht MH17.
Dit document bevat antwoorden op kamervragen van het lid Van Baarle (Denk) aan de Minister van Buitenlandse Zaken over het bericht 'Frankrijk zal Palestina erkennnen als staat'
In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2024 betrokken is geweest. In het rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk ten uitvoer moeten worden gelegd.
Dit document bevat antwoorden op vragen uit het schriftelijk overleg (so) over de Kabinetsreactie op het advies van de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) over de ontwerpconclusies van de International Law Commission (ILC) over algemene rechtsbeginselen.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak S.L.S. e.a. (zaak nr. 19732/17) geoordeeld dat Nederland artikel 6 van het Verdrag (EVRM) niet heeft geschonden, waardoor het niet nodig is om de klacht over de schending van artikel 13 EVRM te beoordelen. Daarnaast verklaart het EHRM de klacht ten aanzien van artikel 8 EVRM niet-ontvankelijk.
De zaak betreft het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM), het recht op eerbiediging van privé-, familie en gezinsleven (artikel 8 EVRM) en het recht op een effectief rechtsmiddel (artikel 13 EVRM). Wat betreft artikelen 6 en 8 EVRM stellen de verzoekers dat de elektronische kennisgeving van besluitvorming een beperking vormt van het recht op toegang tot de rechter en het recht op eerbiediging van het privé- familie en gezinsleven, omdat niet alle inwoners beschikken over een computer of internet. Wat betreft de klacht onder artikel 6 EVRM, stelt het EHRM dat het recht op toegang tot de rechter geen absoluut recht is. Het recht mag worden beperkt en moet ook gereguleerd worden door de nationale overheid. Het EHRM toetst of verzoekers een duidelijke, praktische en effectieve mogelijkheid hadden om tegen de besluitvorming in beroep te gaan. Op basis van het voorgaande oordeelt het EHRM dat er geen schending is van artikel 6 EVRM en verklaart de klacht op basis van artikel 8 EVRM niet-ontvankelijk. Daarbij is het niet nodig om de klacht over de schending van artikel 13 EVRM te beoordelen.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak F.G.Z. (zaak nr. 69491/16) geoordeeld dat Nederland artikel 5 lid 3 van het Verdrag (EVRM) heeft geschonden.
De zaak betreft het recht op vrijheid en veiligheid. De verzoeker stelt dat er onvoldoende grond was voor verlenging van zijn voorlopige hechtenis en dat de diverse beslissingen daarover bovendien onvoldoende gemotiveerd waren. Het EHRM herhaalt onder verwijzing naar vaste jurisprudentie het uitgangspunt dat het de verantwoordelijkheid is van de nationale autoriteiten om een voorlopige hechtenis niet onredelijk lang te laten duren. In dat kader moet de rechtvaardiging voor voorlopige hechtenis altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden. Vanwege het gebrek aan een kenbare afweging van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden zijn de beslissingen om de voorlopige hechtenis niet op te heffen of te schorsen onvoldoende onderbouwd. Daarom concludeert het EHRM dat er sprake is van een schending van artikel 5 lid 3 EVRM.
Toont 141 - 150 van 633 resultaten.