Zie ook Eindrapport van de Evaluatie van de Rijkswet van 21 april 2017
In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2021 betrokken is geweest. In rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk ten uitvoer moeten worden gelegd.
Het VN BuPo Comité heeft in de zaak S.Y. (zaak nr. 2392/2014) gesteld dat het recht op hoger beroep onder artikel 14, lid 5 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), alleen en gelezen in samenhang met het recht op een effectief rechtsmiddel onder artikel 2, lid 5 van het IVBPR zijn geschonden.
De zaak betreft een veroordeling voor mishandeling, waar tegen in hoger beroep werd gegaan door verzoekster. Dit werd afgewezen op grond van artikel 410a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, waarin wordt bepaald dat hoger beroep tegen zaken waar het gaat om een geldboete lager dan 500 euro slechts in behandeling wordt genomen als dat nodig is in het belang van een goede rechtsbedeling (‘Verlofstelsel’). Verzoekster klaagt bij het Comité dat zij geen reële mogelijkheid heeft gekregen haar zaak door een tweede rechterlijke instantie inhoudelijk te laten beoordelen en stelt dat dit in strijd is met het recht op hoger beroep zoals vastgelegd in artikel 14 lid 5 van het IVBPR. Hierbij wijst verzoekster op het feit dat zij op het moment van instellen van hoger beroep niet beschikte over een schriftelijke uitspraak van de rechtbank en niet wist op basis van welk bewijs zij was veroordeeld. Het Comité stelt vast dat veroordeelden moeten kunnen beschikken over een schriftelijke, gemotiveerde beslissing van hun veroordeling en over voldoende informatie om hun recht op hoger beroep effectief te kunnen uitoefenen. Het Comité oordeelt dat hiervan geen sprake is geweest in het geval van verzoekster. Verder oordeelt het Comité dat onterecht is besloten het hoger beroep niet in behandeling te nemen. Om deze redenen is sprake van een schending van artikel 14 lid 5 IVBPR (recht op hoger beroep in strafzaken) alleen, en in samenhang gelezen met artikel 2 lid 3 van het IVBPR (recht op een effectief rechtsmiddel).
Het VN BuPo Comité heeft in de zaak J.O.Z. en E.E.I.Z. t. Nederland (zaak nr. 2796/2016) vastgesteld dat sprake is van een schending van artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), alleen en gelezen in samenhang met artikel 24 IVBPR.
De zaak betreft het verbod op foltering, wrede, onmenselijke of vernederende behandeling (artikel 7 IVBPR) en de rechten van het kind (artikel 24 IVBPR). Het Comité stelt op basis van artikelen 6 en 7 IVBPR lidstaten personen niet mogen uitzetten naar een gebied waar deze een reëel risico lopen op onherstelbare schade. Het Comité benadrukt dat dit risico persoonlijk moet zijn, waarbij de grens hoog ligt. Volgens het Comité valt vrouwelijke genitale verminking onder een verboden behandeling zoals bedoeld in artikel 7 IVBPR. Bij de beoordeling van de vraag of de regering in dit geval willekeurig heeft gehandeld of dat er sprake is van een kennelijke fout of dat geen rechtmatige beslissing is genomen, kijkt het Comité naar verschillende factoren. Op basis van deze factoren oordeelt het comité dat de regering het risico dat de dochter van verzoekster zou lopen op vrouwelijke genitale verminking bij terugkeer onjuist heeft beoordeeld. Om deze reden is sprake van een schending van artikel 7 IVBPR, alleen en in samenhang met artikel 24 IVBPR.
In dit verslag van de hoorzitting van 10 december 2024 in de IGH-adviesprocedure over klimaatverandering kunt u de Nederlandse inbreng vinden.
In dit verslag van de hoorzitting van 20 februari 2024 in de IGH-adviesprocedure over de juridische gevolgen van het beleid en de praktijken van Israël in de bezette Palestijnse gebieden kunt u de Nederlanse inbreng vinden.
Dit document bevat de schriftelijke inbreng van Nederland van 21 maart 2024 in de IGH-adviesprocedure over de verplichtingen van staten met betrekking tot klimaat verandering.
Dit document bevat het schriftelijk commentaar van Nederland in de IGH-adviesprocedure over de verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering.
Het VN BuPo Comité heeft in de zaak W.S.J. t. Nederland (zaak nr. 3077/2017) vastgesteld dat Nederland het recht op gelijke behandeling onder artikelen 2, lid 1, en 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) niet heeft geschonden.
De zaak betreft een pensioengerechtigde in Caraïbisch Nederland die stelt dat zijn pensioen lager is dan dat van pensioengerechtigden in Europees Nederland. Hierdoor zou sprake zijn van een schending van het recht op gelijke behandeling. Het Comité kijkt enkel naar de klacht onder artikel 26 IVBPR en oordeelt dat de verzoeker niet in een gelijke situatie verkeert als Europees Nederlands pensioengerechtigden. Het verschil in behandeling kan volgens het Comité objectief en naar redelijkheid worden gerechtvaardigd, omdat er sociaaleconomische en juridische verschillen bestaan tussen Caraïbisch Nederland en Europees Nederland. Het Comité oordeelt dat er geen sprake is van een schending van het recht op een gelijke behandeling.
Deze brief informeert de Eerste Kamer over de goedkeuring en uitvoering van de aanvaarde wijzigingen van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Er wordt antwoord gegeven op vragen gesteld door een aantal fractieleden. Deze betreffen de volgende onderwerpen: internationale crisisbeheersingsoperaties, taakverzwaring en positie van het Internationaal Strafhof, uitbreiding en definitie van oorlogsmisdrijven in geval van een niet-internationaal gewapend conflict, het misdrijf agressie, positie overige Koninkrijksdelen, inwerkingtreding en opt-outs en de reikwijdte van de rechtsmacht van de Nederlands justitie.
Toont 171 - 180 van 623 resultaten.