Deze Kamerbrief informeert de Tweede Kamer over de 36e zitting van de Mensenrechtenraad die plaatsvond van 11-29 september 2017, waar onder leiding van Nederland een resolutie werd ingediend over een internationaal onafhankelijk onderzoek naar alle schendingen van mensenrechten en oorlogsrecht in Jemen.
Kamerbrief
Deze Kamerbrief informeert de Tweede Kamer naar aanleiding van een resolutie van het parlement van Oekraïne over de stukken die deel uitmaakten van de Krimtentoonstelling te Amsterdam. Het is niet aan het kabinet om te besluiten wat er met de betwiste stukken moet gebeuren of wie rechthebbende is van de stukken. Dit is in beginsel een vraag van privaatrechtelijke aard die tussen de betrokken partijen en naar het toepasselijke recht beantwoord zal moeten worden. Dat laat onverlet dat er een aantal internationaalrechtelijke aspecten spelen die aanleiding kunnen geven voor een rol voor het kabinet. De internationaalrechtelijke aspecten betreffen de huidige status van de Krim, die gevolgen heeft voor het daar toepasselijke recht en de vraag welke autoriteiten bevoegd zijn; de mogelijkheid dat (voorgenomen) executiemaatregelen strijdig zijn met internationaal recht; en internationale afspraken over cultureel erfgoed o.a. in UNESCO-verband.
Tweede Kamer, 2015-2016, 34 300 V, nr. 7, officiëlebekendmakingen.nl
Deze brief bevat de kabinetsreactie op het AIV-advies ‘Piraterijbestrijding op zee - een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden’. Het kabinet oordeelt dat reders en kapiteins zelf hoofdverantwoordelijk zijn voor de veiligheid van hun schepen en zelf zelfbeschermingsmaatregelen dienen te treffen.
Dit werkdocument van de VS, Korea en Nederland is ingediend tijdens de 40ste Antarctic Treaty Consultative Meeting en bevat een verslag van de Intersessional Contact Group (ICG) over de praktijk van inspecties in Antarctica.
Op 9 april 2024 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) in een drietal zaken de verplichtingen van staten onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in de context van klimaatverandering behandeld. Met deze brief informeert de minister voor Klimaat en Energie de Kamer, mede namens de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de minister voor Rechtsbescherming, over deze zaken en de betekenis ervan voor Nederland.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat wanneer partijen een beroep doen op een bepaling van volkenrechtelijke aard de rechter tot taak heeft om een oordeel te geven over de vraag of een correcte uitvoering en toepassing van volkenrechtelijke regels in de nationale rechtsorde heeft plaatsgevonden. De bevoegdheid van de rechter om volkenrecht toe te passen berust onder meer op de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
De rechter is bevoegd het volkenrecht toe te passen in de nationale rechtsorde, voorzover zich dat voor toepassing door hem leent, ook in gevallen waarin er geen strijd is met nationale wettelijke voorschriften.
Aangezien de tekst, noch de geschiedenis van de totstandkoming van de Overeenkomst aanwijzingen bevatten dat de overeenkomstsluitende partijen al dan niet rechtstreekse werking aan de bepalingen van de Overeenkomst hebben willen verlenen, is voor de beantwoording van de vraag of aan die bepalingen een zodanige werking toekomt de inhoud van die bepalingen beslissend. De bepalingen van de Overeenkomst dienen zodanig concreet en hanteerbaar te zijn dat zij door de rechter kunnen worden toegepast. In dat verband kunnen de bewoordingen, context, doel en strekking van de bepalingen en de samenhang met andere bepalingen uit de Overeenkomst worden bezien. Dat, zoals verweerder betoogt, de Overeenkomst alleen verplichtingen zou opleggen aan staten betekent niet zonder meer dat deze niet als een ieder verbindend kan worden aangemerkt. Voorzover verweerder wijst op het standpunt van de regering dat de bepalingen als richtlijnen dienen te worden beschouwd, merkt de Afdeling op dat beantwoording van de vraag of een verdrag een ieder verbindende bepalingen bevat uiteindelijk is voorbehouden aan de rechter. Zie essentie r.o. 2.2.3 – 2.2.6.
UItspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State
Dit document bevat de schriftelijke inbreng van Nederland in de zaak Case Concerning the Application of the Convention of 1902 Governing the Guardianship of Infants (Netherlands v Sweden) voor het Internationaal Gerechtshof, waarin Nederland in gaat op de verplichtingen die voortvloeien uit het voogdijverdrag uit 1902.
Deze brief informeert de Tweede Kamer over de goedkeuring en uitvoering van de aanvaarde wijzigingen van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Er wordt ingegaan op de inwerkingtreding van de strafbaarstelling van het misdrijf agressie, aandachtspunten bij de toekomstige rechtsmacht over het misdrijf agressie, draagvlak voor het Internationaal Strafhof en getuigenbescherming.
Dit werkdocument van België, Duitsland en Nederland is ingediend tijdens 36ste Antarctic Treaty Consultative Meeting met als doel om het werk van CCAMLR inzake het instellen van Marine Protected Areas (MPA) onder de aandacht te brengen.
Deze brief informeert de Tweede Kamer over de aanbevelingen van het VN-comité tegen rassendiscriminatie.
Toont 351 - 360 van 633 resultaten.