Zoeken

Web content search

103 Zoekresultaten

Sorteren op: Datum /

Rapportage internationale mensenrechtenprocedures 2020

Overig | 18 mei 2021 | Minister van Buitenlandse Zaken

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Mensenrechtenschendingen | Individueel klachtrecht | Verdragsverplichtingen, materiële schending van

In het rapport zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen van internationale mensenrechtenprocedures waarbij het Koninkrijk der Nederlanden in het jaar 2020 betrokken is geweest. In rapport is ook een overzicht opgenomen van de stand van zaken van uitspraken die door het Koninkrijk tenuitvoer moeten worden gelegd.

Nationale Groep van het Permanent Hof van Arbitrage

Content Dossier / MLA | 2 april 2021

Het Permanent Hof van Arbitrage (PHA) is het eerste permanente internationale mechanisme voor de vreedzame beslechting van geschillen tussen staten. Het is opgericht onder twee in Den Haag tot ...

Uitspraak EHRM - Stichting Landgoed Steenbergen tegen Nederland - geen schending eerlijk proces

Uitspraak internationaal | 16 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Stichting Landgoed Steenbergen en anderen tegen Nederland (zaak nr. 19732/17) geoordeeld dat Nederland artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet heeft geschonden. Artikel 6 bevat het recht op een eerlijk proces, waaronder de toegang tot de rechter valt. Volgens het EHRM is een elektronische kennisgeving een voldoende adequate manier van kennisgeven van (ontwerp)besluiten, gelet op de coherentie van het systeem waarbij een evenredige afweging is gemaakt en het hoge aantal internetgebruikers in Nederland. Het EHRM herhaalt in het arrest dat het recht op toegang tot de rechter ook het recht omvat om op adequate wijze kennis te nemen van bestuurlijke en juridische besluiten en dat dit met name van belang is in gevallen waarbij een rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn moet worden ingezet. Het recht op toegang tot de rechter is echter geen absoluut recht, het mag worden beperkt en moet ook gereguleerd worden door de nationale overheid. Staten hebben daarbij een beoordelingsmarge. In gevallen als deze wordt beoordeeld of klagers konden uitgaan van een coherent systeem waarbij een evenredige afweging is gemaakt tussen de belangen van de overheid en hun eigen belangen, aldus het EHRM. In deze zaak is de kennisgeving gebaseerd op de Verordening elektronische bekendmaking van de provincie Gelderland. Het systeem van deze Verordening is voldoende coherent en duidelijk. Voor de elektronische bekendmaking bestond derhalve een wettelijke basis waarvan het bestaan voldoende onder de aandacht van het publiek is gebracht. Verder is van belang dat in Nederland meer dan 92% van de burgers boven de twaalf jaar beschikking heeft over internet. Bovendien hebben klagers ook niet aangegeven dat zij niet beschikken over toegang tot een computer of het internet. Gelet hierop komt het EHRM tot de conclusie dat het systeem van elektronische bekendmaking in Gelderland een coherent systeem is waarbij een evenredige afweging is gemaakt tussen het algemeen belang van de samenleving en de belangen van klagers. Daarom is er geen schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en is het niet nodig om de klacht over schending van artikel 13 van het EVRM apart beoordelen. De klacht over schending van artikel 8 van het EVRM is niet-ontvankelijk verklaard. Zie Stichting Landgoed Steenbergen tegen Nederland, EHRM

Uitspraak EHRM Maassen tegen Nederland - schending recht op vrijheid en veiligheid

Uitspraak internationaal | 9 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces | Redelijke termijn | Voorlopige invrijheidstelling

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Maassen tegen Nederland (zaak nr. 10982/15) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 5 bevat het recht op vrijheid en veiligheid. Het derde lid gaat specifiek over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. De schending is aangenomen, omdat herhaaldelijke beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, onvoldoende onderbouwd zijn. Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat een voorarrest niet onredelijk lang mag duren. Een redelijke verdenking is de basis van een voorarrest, maar dat op zich is niet voldoende om beslissingen om het voorarrest te laten voortduren op te baseren. Daarbij is ook nog van belang of er andere gronden zijn om de vrijheidsontneming te rechtvaardigen en als die gronden nog relevant en voldoende zijn, moet worden bezien of de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. In dat kader moet de rechtvaardiging voor detentie altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden, aldus het EHRM. In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over het voorarrest volgens het EHRM voldoende relevant en met redenen omkleed. Bij opvolgende beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, is echter onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden. Gelet hierop zijn die beslissingen onvoldoende onderbouwd en daarom in strijd geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM. Zie Maassen tegen Nederland, EHRM

Arrest EHRM - Zohlandt tegen Nederland - schending recht op vrijheid en veiligheid

Uitspraak internationaal | 9 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Voorwaardelijke invrijheidstelling

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Zohlandt tegen Nederland (zaak nr. 69491/16) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 5 gaat over het recht op vrijheid en veiligheid. Het derde lid gaat specifiek over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. De schending is aangenomen, omdat herhaaldelijke beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, onvoldoende onderbouwd zijn. Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat een voorarrest niet onredelijk lang mag duren. Een redelijke verdenking is de basis van een voorarrest, maar dat op zich is niet voldoende om beslissingen om het voorarrest te laten voortduren op te baseren. Daarbij is ook nog van belang of er andere gronden zijn om de vrijheidsontneming te rechtvaardigen en als die gronden nog relevant en voldoende zijn, moet worden bezien of de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. In dat kader moet de rechtvaardiging voor detentie altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden, aldus het EHRM. In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over het voorarrest volgens het EHRM voldoende relevant en met redenen omkleed. Bij opvolgende beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, is echter onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden. Gelet hierop zijn die beslissingen onvoldoende onderbouwd en daarom in strijd geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM. Zie Zohlandt tegen Nederland, EHRM

Uitspraak EHRM - Hasselbaink tegen Nederland - schending recht op vrijheid en veiligheid

Uitspraak internationaal | 9 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Voorwaardelijke invrijheidstelling

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Hasselbaink tegen Nederland (zaak nr. 73329/16) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid en vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 5 bevat het recht op vrijheid en veiligheid. Het derde lid gaat specifiek over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. Het vierde lid ziet op een tijdige behandeling van verzoeken om opheffing van het voorarrest. De schendingen zijn aangenomen, omdat herhaaldelijke beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, onvoldoende onderbouwd zijn en niet tijdig zijn genomen. Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat een voorarrest niet onredelijk lang mag duren. Een redelijke verdenking is de basis van een voorarrest, maar dat op zich is niet voldoende om beslissingen om het voorarrest te laten voortduren op te baseren. Daarbij is ook nog van belang of er andere gronden zijn om de vrijheidsontneming te rechtvaardigen en als die gronden nog relevant en voldoende zijn, moet worden bezien of de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. In dat kader moet de rechtvaardiging voor detentie altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden, aldus het EHRM. In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over het voorarrest volgens het EHRM voldoende relevant en met redenen omkleed. Bij opvolgende beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, is echter onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden. Gelet hierop zijn die beslissingen onvoldoende onderbouwd en daarom in strijd geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM. Verder duurde het 22 respectievelijk 26 dagen voor dat het verzoek om opheffing en het beroep tegen de afwijzing daarvan werden behandeld. Het EHRM wijst erop dat in een eerdere uitspraak een periode van 21 dagen al als onvoldoende tijdig is beoordeeld en dat bovendien in deze zaak al was erkend dat de behandeling van het verzoek niet zo zorgvuldig was behandeld als normaal gesproken het geval zou zijn. Het EHRM acht het in deze omstandigheden niet nodig om nog apart in te gaan op de tijdige behandeling van het beroep tegen de afwijzing. De gang van zaken is in strijd geacht met artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Zie Hasselbaink tegen Nederland, EHRM

Nederland stelt Syrië aansprakelijk voor mensenrechtenschendingen (pdf)

Kamerbrief | 18 september 2020

Dossier: Aansprakelijkstelling Syrië door Nederland

Trefwoorden: Internationale geschillenbeslechting, vreedzame | Mensenrechten | Staatsaansprakelijkheid (zie Aansprakelijkheid, Staats-)

In deze Kamerbrief is vermeld dat Nederland via een diplomatieke nota Syrië aansprakelijk heeft gesteld voor grove mensenrechtenschendingen en foltering in het bijzonder. Nederland heeft Syrië gewezen op de internationale verplichtingen die het heeft om de schendingen te beëindigen en slachtoffers volledig rechtsherstel te bieden. Nederland heeft Syrië gevraagd in onderhandeling te treden. Als geen overeenstemming wordt bereikt tussen de landen, zal Nederland de zaak voorleggen aan een internationale rechter. Het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing van 1984, dat door Syrië in 2004 werd geratificeerd biedt hiervoor een rechtsgrondslag. Kamerbrief (Tweede-Kamer, 32623, nr. 301)

Kamerbrief voornemen interventie Nederland-Canada (pdf)

Kamerbrief | 2 september 2020

Dossier: Interventie Gambia v. Myanmar Internationaal Gerechtshof

Trefwoorden: Accountability | Genocide | Internationale geschillenbeslechting, vreedzame

De minister van Buitenlandse Zaken informeert de Tweede Kamer over de intentie van Nederland en Canada om te interveniëren in de zaak van Gambia tegen Myanmar onder artikel 63 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof. Een dergelijke inspanning is in lijn met de Nederlandse inzet op het tegengaan van straffeloosheid middels vervolging en berechting van de meest ernstige misdrijven en uiteindelijk op gerechtigheid en genoegdoening voor slachtoffers. Kamerbrief (Tweede-Kamer, 32735, nr. 310)

Rapport Geweldsmonopolie en piraterij

Advies overig | 4 juni 2020

Dossier: Piraterijbestrijding

Trefwoorden: Piraterij | Scheepvaart | Terrorismebestrijding

Dit document bevat het rapport van de Adviescommissie gewapende particuliere beveiliging tegen piraterij inzake geweldsmonopolie en piraterij.

Rapportage internationale mensenrechtenprocedures 2019

Overig | 1 juni 2020

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Individueel klachtrecht | Mensenrechtenschendingen | Verdragsverplichtingen, materiële schending van

De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse betrokkenheid in internationale mensenrechtenprocedures in 2019 alsmede activiteiten in het verlengde daarvan, inclusief verdragsrapportages onder VN-mensenrechtenverdragen.

Toont 1 - 10 van 103 resultaten.