Zoeken

Web content search

111 Zoekresultaten

Sorteren op: Datum /

Uitspraak EHRM Maassen tegen Nederland - schending recht op vrijheid en veiligheid

Uitspraak internationaal | 9 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Eerlijk proces | Redelijke termijn | Voorlopige invrijheidstelling

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Maassen tegen Nederland (zaak nr. 10982/15) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 5 bevat het recht op vrijheid en veiligheid. Het derde lid gaat specifiek over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. De schending is aangenomen, omdat herhaaldelijke beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, onvoldoende onderbouwd zijn.

Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat een voorarrest niet onredelijk lang mag duren. Een redelijke verdenking is de basis van een voorarrest, maar dat op zich is niet voldoende om beslissingen om het voorarrest te laten voortduren op te baseren. Daarbij is ook nog van belang of er andere gronden zijn om de vrijheidsontneming te rechtvaardigen en als die gronden nog relevant en voldoende zijn, moet worden bezien of de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. In dat kader moet de rechtvaardiging voor detentie altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden, aldus het EHRM.

In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over het voorarrest volgens het EHRM voldoende relevant en met redenen omkleed. Bij opvolgende beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, is echter onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden. Gelet hierop zijn die beslissingen onvoldoende onderbouwd en daarom in strijd geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM.

Zie Maassen tegen Nederland, EHRM

Arrest EHRM - Zohlandt tegen Nederland - schending recht op vrijheid en veiligheid

Uitspraak internationaal | 9 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Voorwaardelijke invrijheidstelling

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Zohlandt tegen Nederland (zaak nr. 69491/16) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 5 gaat over het recht op vrijheid en veiligheid. Het derde lid gaat specifiek over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. De schending is aangenomen, omdat herhaaldelijke beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, onvoldoende onderbouwd zijn.

Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat een voorarrest niet onredelijk lang mag duren. Een redelijke verdenking is de basis van een voorarrest, maar dat op zich is niet voldoende om beslissingen om het voorarrest te laten voortduren op te baseren. Daarbij is ook nog van belang of er andere gronden zijn om de vrijheidsontneming te rechtvaardigen en als die gronden nog relevant en voldoende zijn, moet worden bezien of de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. In dat kader moet de rechtvaardiging voor detentie altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden, aldus het EHRM.

In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over het voorarrest volgens het EHRM voldoende relevant en met redenen omkleed. Bij opvolgende beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, is echter onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden. Gelet hierop zijn die beslissingen onvoldoende onderbouwd en daarom in strijd geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM.

Zie Zohlandt tegen Nederland, EHRM

Uitspraak EHRM - Hasselbaink tegen Nederland - schending recht op vrijheid en veiligheid

Uitspraak internationaal | 9 februari 2021

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Voorwaardelijke invrijheidstelling

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) heeft in de uitspraak in de zaak Hasselbaink tegen Nederland (zaak nr. 73329/16) geoordeeld dat Nederland artikel 5, derde lid en vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft geschonden. Artikel 5 bevat het recht op vrijheid en veiligheid. Het derde lid gaat specifiek over het recht op een proces binnen redelijke termijn en op invrijheidstelling in afwachting van dat proces. Het vierde lid ziet op een tijdige behandeling van verzoeken om opheffing van het voorarrest.
De schendingen zijn aangenomen, omdat herhaaldelijke beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, onvoldoende onderbouwd zijn en niet tijdig zijn genomen.

Het EHRM herhaalt in de uitspraak het uitgangspunt dat een voorarrest niet onredelijk lang mag duren. Een redelijke verdenking is de basis van een voorarrest, maar dat op zich is niet voldoende om beslissingen om het voorarrest te laten voortduren op te baseren. Daarbij is ook nog van belang of er andere gronden zijn om de vrijheidsontneming te rechtvaardigen en als die gronden nog relevant en voldoende zijn, moet worden bezien of de procedure voldoende zorgvuldig is geweest. In dat kader moet de rechtvaardiging voor detentie altijd overtuigend worden aangetoond op grond van specifieke feiten en persoonlijke omstandigheden, aldus het EHRM.

In deze zaak is de oorspronkelijke beslissing over het voorarrest volgens het EHRM voldoende relevant en met redenen omkleed. Bij opvolgende beslissingen om het voorarrest niet op te heffen, is echter onvoldoende ingegaan op de specifieke omstandigheden. Gelet hierop zijn die beslissingen onvoldoende onderbouwd en daarom in strijd geacht met artikel 5, derde lid, van het EVRM.

Verder duurde het 22 respectievelijk 26 dagen voor dat het verzoek om opheffing en het beroep tegen de afwijzing daarvan werden behandeld. Het EHRM wijst erop dat in een eerdere uitspraak een periode van 21 dagen al als onvoldoende tijdig is beoordeeld en dat bovendien in deze zaak al was erkend dat de behandeling van het verzoek niet zo zorgvuldig was behandeld als normaal gesproken het geval zou zijn. Het EHRM acht het in deze omstandigheden niet nodig om nog apart in te gaan op de tijdige behandeling van het beroep tegen de afwijzing. De gang van zaken is in strijd geacht met artikel 5, vierde lid, van het EVRM.

Zie Hasselbaink tegen Nederland, EHRM

Rapport Geweldsmonopolie en piraterij

Advies overig | 4 juni 2020

Dossier: Piraterijbestrijding

Trefwoorden: Piraterij | Scheepvaart | Terrorismebestrijding

Dit document bevat het rapport van de Adviescommissie gewapende particuliere beveiliging tegen piraterij inzake geweldsmonopolie en piraterij.

Rapportage internationale mensenrechtenprocedures 2019

Overig | 1 juni 2020

Dossier: Mensenrechten

Trefwoorden: Individueel klachtrecht | Mensenrechtenschendingen | Verdragsverplichtingen, materiële schending van

De rapportage geeft een overzicht van de Nederlandse betrokkenheid in internationale mensenrechtenprocedures in 2019 alsmede activiteiten in het verlengde daarvan, inclusief verdragsrapportages onder VN-mensenrechtenverdragen.

Arrest Hoge Raad inzake klimaatzaak Urgenda

Uitspraak nationaal | 20 december 2019 | Hoge Raad

Dossier: Doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde

Trefwoorden: Mensenrechten, directe werking | Doorwerking internationaal recht (zie Verdragen, rechtstreekse werking)

De Hoge Raad wijst erop dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de staten die bij het verdrag zijn aangesloten ertoe verplicht om voor hun ingezetenen de rechten en vrijheden te verzekeren die in het verdrag zijn vastgesteld. Art. 2 EVRM beschermt het recht op leven, en art. 8 EVRM het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. Volgens de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is een verdragsstaat op grond van deze bepalingen verplicht om passende maatregelen te treffen, indien een reëel en ernstig risico voor het leven of het welzijn van personen bestaat en de staat daarvan op de hoogte is.

De Hoge Raad komt tot het oordeel dat de positieve verplichtingen van de artikelen 2 en 8 EVRM ook van toepassing zijn op het (mondiale) probleem van klimaatverandering. Er is volgens de Hoge Raad sprake van een voldoende reëel en ernstig risico op aantasting van het leven en welzijn van ingezetenen van Nederland als gevolg van klimaatverandering. Art. 2 en 8 EVRM dienen naar het oordeel van de Hoge Raad zo te worden uitgelegd dat landen erop kunnen worden aangesproken hun aandeel te leveren in de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Het nationale recht moet volgens art. 13 EVRM een effectief rechtsmiddel bieden om tegen een schending of dreigende schending van de door het EVRM gewaarborgde rechten op te komen.

Arrest Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:2006)

Beleidskader Nederland en Poolgebieden 2011-2015

Overig | 3 december 2019

Dossier: Antarctica | De Noordpool

Trefwoorden: Internationaal milieurecht | Milieubescherming (zie Milieuschade; zie Internationaal milieurecht) | Milieuschade | Wetenschappelijk onderzoek

Dit document bevat het polaire beleid van 2011 – 2015 welke onderdeel uit maakt van de oriëntatie van de regering op mondiale vraagstukken. Waar vorige beleidskaders zich voornamelijk beperkten tot milieukwesties en wetenschappelijk onderzoek, poogt het huidige kader de poolgebieden in een veel breder perspectief te plaatsen: politiek, strategisch, economisch (grondstoffen, energie, visserij, scheepvaart), veiligheid, inheemse volkeren, internationale rechtsorde etc.

Memorie van Toelichting bij Energiehandvest 1994

Memorie van toelichting | 3 december 2019

Dossier: Energie

Trefwoorden: Handelsbevordering | Investeringsgaranties | Kernenergie

Dit document bevat de Memorie van Toelichting bij het Verdrag inzake Energiehandvest.

Kamerbrief inzake actualisering veiligheidsdeel Polaire Strategie

Kamerbrief | 25 juli 2019

Dossier: De Noordpool | Grond- en zeegebied

Trefwoorden: Continentaal plateau | Milieubescherming (zie Milieuschade; zie Internationaal milieurecht) | Milieuschade | Doortocht, recht van | Onschuldige doorvaart

Deze brief informeert de Tweede Kamer over de actualisering van de Nederlandse Polaire Strategie 2016-2020 op het gebied van veiligheid in de Arctische regio. In de brief wordt ingegaan op de politieke, militaire, economische en ecologische veiligheid in het noordpoolgebied.

Kamerbrief

Toont 1 - 10 van 111 resultaten.